Laatste Nieuws

Uitleg premier afschaffing dividendbelasting

De minister-president heeft gereageerd op een verzoek van de Tweede Kamer om opheldering over bedrijven waarmee over de dividendbelasting is gesproken en wat de uitkomsten van die gesprekken zijn. In zijn brief benadrukt de premier het belang van multinationals voor de werkgelegenheid in Nederland. Om dergelijke bedrijven hier te krijgen en hier te houden is een goed vestigingsklimaat van belang. Het regeerakkoord bevat investeringen in alle componenten die voor het vestigingsklimaat zorgen. De afschaffing van de dividendbelasting verbetert het vestigingsklimaat. De premier bevestigt dat bedrijven en hun belangenbehartigers hierover contact hebben gezocht met de coalitiepartijen. Het pleidooi voor afschaffing van de dividendbelasting is al jaren oud.

Met welke bedrijven is gesproken wil de minister-president niet zeggen. VNO/NCW heeft besloten zijn brief aan de informateur te publiceren en Shell heeft laten weten over de dividendbelasting contact te hebben gehad met politici. Hoewel het formatiearchief openbaar is gemaakt, wil dat niet zeggen dat alle stukken die tijdens de onderhandelingen zijn gebruikt gepubliceerd zijn. Documenten die zijn opgesteld voor intern beraad vormen volgens de premier geen onderwerp van politiek debat.

Kabinetsreactie op Paradise Papers

Kabinetsreactie op Paradise Papers

Naar aanleiding van publicaties over de Paradise Papers heeft de staatssecretaris van Financiën een brief aan de Tweede Kamer geschreven over de aanpak van belastingontwijking en de rulingpraktijk. De staatssecretaris laat weten dat het kabinet een einde wil maken aan firma’s die zich op papier in Nederland vestigen om belastingvrij miljoenen te kunnen rondpompen. Voor dat doel komt het kabinet met voorstellen voor een bronheffing op dividend, rente en royalty’s naar belastingparadijzen en in misbruiksituaties. De regelgeving voor trustkantoren wordt strenger en de Nederlandsche Bank krijgt meer instrumenten om hier op toe te zien.

Centraal vastleggingssysteem
Volgens internationale afspraken wordt informatie over rulings met een grensoverschrijdend effect onderling uitgewisseld. Dat geldt niet alleen voor nieuwe maar ook voor bestaande rulings. Er is een centraal systeem opgezet waarin de uit te wisselen gegevens geregistreerd worden. Dat systeem is sinds september 2017 operationeel, waardoor de rulings waarover informatie moet worden uitgewisseld in beeld zijn. Nederland heeft aangegeven informatie over de circa 4.000 bestaande rulings voor 1 januari 2018 te hebben uitgewisseld.

Procedure bij afgifte rulings
De staatssecretaris geeft toe dat de in 2008 afgegeven ruling voor Procter en Gamble niet volgens de geldende afspraken tot stand is gekomen. Volgens het geldende beleid had de lokale inspecteur het verzoek tot zekerheid vooraf moeten voorleggen aan het speciale rulingteam van de Belastingdienst. Het niet volgen van voorgeschreven procedures is niet acceptabel.
De staatssecretaris laat onderzoeken of bestaande rulings met een grensoverschrijdend effect zijn afgegeven conform de geldende procedures. De rulingpraktijk wordt jaarlijks steekproefsgewijs onderzocht door een onafhankelijke commissie. Deze commissie wordt uitgebreid met twee externe experts.

Overtollige liquiditeiten en toevoeging oudedagsreserve

Overtollige liquiditeiten en toevoeging oudedagsreserve

Een ondernemer, die aan het begin van een kalenderjaar de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, kan ten laste van zijn winst toevoegen aan zijn oudedagsreserve. Om aan de oudedagsreserve te mogen toevoegen moet de ondernemer aan het urencriterium voldoen. De toevoeging bedraagt 12% van de winst, met een maximum van € 9.542 (2013). Premies voor een pensioenregeling verlagen de toevoeging. De toevoeging kan niet hoger zijn dan het verschil tussen het ondernemingsvermogen aan het einde van het kalenderjaar en het ondernemingsvermogen aan het begin van het kalenderjaar. De hoogte van het ondernemingsvermogen is van invloed op de oudedagsreserve.

De Belastingdienst corrigeerde het ondernemingsvermogen van een ondernemer omdat in de onderneming een te groot bedrag aan liquide middelen werd aangehouden. Volgens de Belastingdienst was een deel daarvan duurzaam overtollig. Dat had tot gevolg dat de ondernemer niet kon toevoegen aan zijn oudedagsreserve. Zijn belastbare winst werd daardoor verhoogd. De rechtbank stelde in de beoordeling voorop dat de ondernemer de keuze heeft om liquide middelen al dan niet tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen, zolang hij daarbij de grenzen van de redelijkheid niet overschrijdt. Het standpunt dat liquide middelen, die zijn opgekomen binnen de onderneming, in ieder geval behoren tot het ondernemingsvermogen tot het moment waarop zij worden aangewend, is niet juist. Een ondernemer mag de liquide middelen die nodig zijn voor de financiering van lopende bedrijfsuitgaven en voor te verwachten investeringen tot zijn ondernemingsvermogen rekenen. Daarboven mag hij ook de liquide middelen ter dekking van risico’s, tot opbouw en instandhouding van reserves en versterking van de onderneming aanhouden. De aard en omvang van de onderneming zijn van invloed op de hoeveelheid aan te houden liquide middelen.

De Belastingdienst meende dat een bedrag van € 50.000 aan liquide middelen redelijk was om tot het ondernemingsvermogen te rekenen. Met het aanhouden van liquide middelen voor de dekking van risico’s en voor de opbouw en instandhouding van reserves en dergelijke was geen rekening gehouden. Volgens de rechtbank was daar wel aanleiding toe, al vond de rechtbank de omvang van de post liquide middelen van € 388.988 op de balans te hoog in relatie tot de aard en omvang van de onderneming. De rechtbank stelde het tot het ondernemingsvermogen te rekenen deel van de liquide middelen in goede justitie vast op € 175.000 per 31 december 2013. Het ondernemingsvermogen was aan het einde van het kalenderjaar door de correctie hoger dan de stand van de oudedagsreserve aan het begin van het kalenderjaar. Daardoor was de in de aangifte geclaimde toevoeging aan de oudedagsreserve mogelijk.

Extra kosten kleding en beddengoed

Extra kosten kleding en beddengoed

De Wet IB 2001 bevat een opsomming van aftrekbare uitgaven wegens ziekte of invaliditeit. Naast kosten van medische behandeling gaat het om kosten voor extra gezinshulp, op medisch voorschrift gehouden diëten en kosten van extra kleding en beddengoed. Om aan aftrek toe te komen, moet sprake zijn van ziekte of invaliditeit.

Hof Amsterdam oordeelde in een procedure dat incontinentie een ziekte is, die extra kosten van kleding en beddengoed tot gevolg kan hebben. Het hof baseert zijn oordeel op de parlementaire behandeling van het wetsartikel waarin de aftrek van ziektekosten is geregeld. Het hof stond de belanghebbende aftrek voor extra kosten van kleding en beddengoed toe. De inspecteur had de aftrek geweigerd omdat incontinentie naar zijn mening geen ziekte is, maar een ouderdomskwaal. Volgens het hof hoeft er geen onderscheid gemaakt te worden tussen incontinentie, die is veroorzaakt door ziekte en incontinentie, die is veroorzaakt door ouderdom. In beide gevallen is er recht op aftrek van de extra kosten.

Wetsvoorstel waardeoverdracht kleine pensioenen

Wetsvoorstel waardeoverdracht kleine pensioenen

Bij de Tweede Kamer is een wetsvoorstel betreffende de waardeoverdracht van kleine pensioenen in behandeling. Tijdens de behandeling daarvan heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toegezegd een brief aan de Kamer te sturen over een aantal onderwerpen.

Heel klein pensioen
Een onderdeel van het wetsvoorstel is het laten vervallen van heel kleine pensioenaanspraken. Het gaat dan om uitkeringen van minder dan € 2 bruto per jaar. Maar weinig mensen met een dergelijke pensioenaanspraak maken gebruik van het recht op waardeoverdracht. Twee jaar na einde van de deelneming aan een pensioenregeling kan de pensioenuitvoerder een heel klein pensioen afkopen. Deelnemers reageren vaak niet op afkoopbrieven van het pensioenfonds, waardoor een poging tot afkoop niet slaagt. De kosten van het aanhouden van heel kleine pensioenaanspraken zijn onevenredig hoog. De Kamer heeft de minister gevraagd om een laatste poging te doen om het heel kleine pensioen bij de betreffende mensen te krijgen. De minister stelt nu voor om:

  1. Het onderdeel “heel klein pensioen” van het wetsvoorstel pas op 1 januari 2019 in werking te laten treden.
  2. Pensioenuitvoerders krijgen daardoor voldoende tijd voor een eenmalige “opschoonactie”. 
  3. In de periode tot 1 januari 2019 kunnen deelnemers gebruikmaken van de mogelijkheid van individuele waardeoverdracht en pensioenuitvoerders van het recht op afkoop. De deelnemers kunnen hierop gewezen worden door de Rijksoverheid en de pensioenuitvoerders.
  4. Pensioenuitvoerders kunnen op termijn ook voor bestaande heel kleine pensioenen eenmalig een poging tot automatische waardeoverdracht doen alvorens deze aanspraken te laten vervallen.

Maatregelen uit regeerakkoord opgenomen in Belastingplan 2018

Maatregelen uit regeerakkoord opgenomen in Belastingplan 2018

De staatssecretaris van Financiën heeft een nota van wijziging op het Belastingplan 2018 ingediend. In de nota van wijziging is een aantal punten uit het regeerakkoord verwerkt. Het gaat om maatregelen die per 1 januari 2018 in werking moeten treden of op 1 januari 2018 vast moeten staan om op 1 januari 2019 in werking te kunnen treden.

Heffingskortingen
Heffingskortingen worden in de regel niet uitbetaald, maar alleen verrekend met de te betalen inkomstenbelasting. Er geldt een uitzondering voor de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK). Deze worden uitbetaald op voorwaarde dat de fiscale partner voldoende inkomen heeft. De uitbetaling van de algemene heffingskorting wordt sinds een aantal jaren afgebouwd. Nu wordt voorgesteld dat met ingang van 1 januari 2019 ook te doen met de IACK en de arbeidskorting.

Daarnaast wordt voorgesteld de ouderenkorting per 1 januari 2019 met € 160 te verhogen en deze korting geleidelijk inkomensafhankelijk af te bouwen. Nu geldt nog dat bij het overschrijden van een zeker inkomensbedrag de hoge ouderenkorting vervalt en de (veel lagere) lage ouderenkorting van toepassing. De voorgestelde afbouwregeling zorgt voor een meer geleidelijke overgang. De afbouw start bij het bedrag van het verzamelinkomen waar nu het hoge bedrag van de ouderenkorting overgaat in het lage bedrag. De afbouw bedraagt 15% van het verzamelinkomen voor zover dat hoger is dan het verzamelinkomen waarbij het afbouwtraject start.

Aanpassing box 3
Het heffingvrije vermogen wordt verhoogd naar € 30.000. Het gezamenlijke heffingvrije vermogen voor fiscale partners wordt € 60.000. De verhoging van het heffingvrije vermogen heeft tot gevolg dat meer mensen recht krijgen op toeslagen.
Het forfaitaire rendement op sparen wordt gebaseerd op actuelere rendementen. Daardoor valt dit in 2018 lager uit. Dat heeft tot gevolg dat het forfaitaire rendement in de eerste vermogensschijf 0,63% lager uitkomt op 2,4%.

Tariefschijf vennootschapsbelasting en tarief innovatiebox
Op grond van het Belastingplan 2017 zou de eerste tariefschijf in de vennootschapsbelasting worden verlengd naar € 250.000 per 1 januari 2018. In deze nota van wijziging wordt die maatregel teruggedraaid. Ook de vervolgstappen in de verlenging van de tariefschijf gaan niet door. De in het regeerakkoord aangekondigde verhoging van het effectieve tarief van de innovatiebox van 5% naar 7% is ook opgenomen in de nota van wijziging. Ook deze aanpassing moet per 1 januari 2018 worden doorgevoerd. Het Vpb-tarief wordt vanaf 2019 stapsgewijs verlaagd naar 16% (eerste schijf) en 21% (tweede schijf) in 2021.

Verhogen tabaksaccijns
De accijnstarieven van alle tabaksproducten worden met ingang van 1 januari 2018 verhoogd. Ook in de komende jaren zal de accijns op tabak stijgen.

Pensioen geen onderdeel (gebruikelijk) loon

Pensioen geen onderdeel (gebruikelijk) loon

Een dga moet voor zijn werkzaamheden ten behoeve van zijn bv ten minste een gebruikelijk loon ontvangen. De vraag in een procedure was of bij het bepalen van de hoogte van het gebruikelijk loon rekening gehouden moet worden met een van de bv ontvangen pensioenuitkering.

Volgens de inspecteur omvat het gebruikelijk loon alleen het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Om die reden had de inspecteur het aangegeven loon uit dienstbetrekking van een dga in een reeks van jaren gecorrigeerd. De dga meende dat het begrip loon ook het loon uit vroegere dienstbetrekking omvat. Naast het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking ontving de dga ook een pensioenuitkering van de bv. Rekening houdend met de ontvangen pensioenuitkeringen zou dat betekenen dat het genoten loon hoger was dan het door de inspecteur na correctie vastgestelde loon.

Hof Den Bosch is van oordeel dat uit de letterlijke tekst van de wet volgt dat dit artikel betrekking heeft op de werknemer die arbeid verricht. Dat leidt er volgens het hof toe dat het gebruikelijk loon moet worden bepaald zonder rekening te houden met loon uit vroegere dienstbetrekking, zoals een pensioenuitkering van dezelfde bv. Dat strookt ook met doel en strekking van het wetsartikel. Het gaat er namelijk om een zakelijk loon uit dienstbetrekking voor de dga te bepalen en ongewenste salarisconstructies tegen te gaan. Uit de memorie van toelichting volgt dat er een verband is tussen de omvang van de werkzaamheden en het loon uit deze dienstbetrekking.

AOW-leeftijd gaat niet omhoog in 2023

AOW-leeftijd gaat niet omhoog in 2023

Sinds enige jaren stijgt de AOW-gerechtigde leeftijd. Aanvankelijk met in de wet vastgelegde stappen en vanaf 2022 afhankelijk van de ontwikkeling van de levensverwachting op 65-jarige leeftijd. De verhoging op basis van de resterende levensverwachting wordt vijf jaar van te voren bekend gemaakt. De AOW-gerechtigde leeftijd voor het jaar 2022 is vastgesteld op 67 jaar en drie maanden. Nu is bekend gemaakt dat in 2023 dezelfde AOW-leeftijd zal gelden.

De gemiddelde resterende levensverwachting voor een 65-jarige bedraagt volgens prognoses van het CBS in 2023 20,48 jaar en in 2029 21,15 jaar.

Schijfgrenzen en tarieven IB 2018

Schijfgrenzen en tarieven IB 2018

Bij de Tweede Kamer is het Belastingplan 2018 in behandeling. De (voormalige) staatssecretaris van Financiën heeft de nota naar aanleiding van het verslag naar de Kamer gestuurd. In de nota worden vragen van de verschillende fracties beantwoord. Er zijn ook vragen gesteld die betrekking hebben op het regeerakkoord van het nieuwe kabinet. Die zijn niet beantwoord maar doorgeschoven.

De staatssecretaris heeft in deze nota onder meer een overzicht van heffingskortingen, schijven en tarieven in de loon- en inkomstenbelasting voor 2018 gegeven, waarin rekening is gehouden met de indexatie per 1 januari. Daaruit blijkt dat het maximum van de algemene heffingskorting voor mensen jonger dan de AOW-leeftijd stijgt van € 2.254 naar € 2.265. Voor mensen die de AOW-leeftijd hebben bereikt gaat het maximum van € 1.151 naar € 1.157. Het maximum van de arbeidskorting gaat van € 3.223 naar € 3.249.

Het maximum van de inkomensafhankelijke combinatiekorting gaat van € 2.778 naar € 2.801. De jonggehandicaptenkorting stijgt van € 722 naar € 728.  De ouderenkorting gaat voor lagere inkomens flink omhoog, omdat naast de indexatie een stijging is voorzien in het Belastingplan 2018. Daardoor gaat deze korting omhoog van € 1.292 naar € 1.418. Voor hogere inkomens wordt de ouderenkorting alleen geïndexeerd, waardoor deze van € 71 stijgt naar € 72. De alleenstaande ouderenkorting daalt ondanks de indexatie van € 438 naar € 423, vanwege een verlaging in het Belastingplan 2018.

Schijfgrenzen en tarieven
2017 Tarief 2017 2018 Tarief 2018
Einde eerste schijf  € 19.982  36,55%  € 20.142  36,55%
Einde tweede schijf  € 33.791  40,8%  € 33.994  40,85%
Einde derde schijf  € 67.072  40,8%  € 68.507  40,85%
Einde vierde schijf  –  52,00%  –  51,95%

 N.B. Voor mensen die geboren zijn vóór 1 januari 1946 eindigt de tweede schijf in 2017 bij een bedrag van € 34.130 en in 2018 bij een bedrag van € 34.404.

Kosten total bodyscan niet aftrekbaar

Kosten total bodyscan niet aftrekbaar

De uitgaven voor geneeskundige hulp bij ziekte of invaliditeit zijn aftrekbaar in de inkomstenbelasting voor zover de uitgaven een zekere inkomensafhankelijke drempel overschrijden. Uitgaven ter voorkoming van ziekten vallen in de regel niet onder de aftrekbare kosten, met uitzondering van inentingskosten. Inentingskosten zijn volgens de Hoge Raad naar hun aard uitgaven voor geneeskundige hulp.

De uitgaven voor een zogenaamde total bodyscan, een preventief onderzoek, zijn echter niet aftrekbaar. Deze uitgaven worden niet gedaan in het kader van een medische behandeling en kunnen volgens Hof Amsterdam niet op één lijn worden gesteld met inentingen, waarbij geneesmiddelen worden toegediend en waarmee ziekten worden voorkomen. Het hof is van oordeel dat een preventief onderzoek geen behandeling wordt wanneer uit een dergelijk onderzoek blijkt dat de onderzochte persoon ziek is.