Laatste Nieuws

Belastbaarheid uitkeringen letselschadeverzekering

Belastbaarheid uitkeringen letselschadeverzekering

Ontvangen letselschade-uitkeringen vormen vermogen, dat belast is in box 3, voor zover het totale vermogen op 1 januari van het jaar het heffingvrije vermogen van € 25.000 overschrijdt. De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft, mede namens de staatssecretaris van Financiën, Kamervragen over de fiscale positie van dergelijke verzekeringsuitkeringen beantwoord.

In zijn antwoord maakt de staatssecretaris duidelijk dat voor de berekening van eigen bijdragen voor de Wet langdurige zorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 het verzamelinkomen van belang is. Het verzamelinkomen bestaat uit het inkomen uit werk en woning (box 1), het inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (box 3). De wetgever heeft een bewuste keuze gemaakt voor het fiscale inkomensbegrip als grondslag voor de eigen bijdragen om de inkomensafhankelijke regelingen te harmoniseren. Per 1 januari 2013 is voor de berekening van de eigen bijdragen een vermogensinkomensbijtelling van 8% ingevoerd. Deze bijtelling gaat uit van de grondslag sparen en beleggen in box 3 van de inkomstenbelasting. De invoering van de vermogensinkomensbijtelling moet ertoe leiden dat de eigen bijdragen in de langdurige zorg meer in overeenstemming zijn met de werkelijke draagkracht dan wanneer alleen met het inkomen uit arbeid of vroegere arbeid rekening wordt gehouden. De uitkering uit een letselschadeverzekering is onderdeel van de draagkracht. Er wordt verondersteld dat bij de vaststelling van de omvang van de schadevergoeding rekening is of wordt gehouden met de gevolgen van de vermogensinkomensbijtelling.

Voor de vermogenstoets voor de toeslagen geldt een uitzondering voor vergoedingen voor immateriële schade en voor letselschadevergoedingen waarvan de hoogte is vastgelegd vóór 11 oktober 2010. Dat is de datum waarop in het regeerakkoord is besloten tot de invoering van de vermogensinkomensbijtelling per 1 januari 2013. De staatssecretaris is in overleg met instellingen als Slachtofferhulp Nederland om knelpunten bij de doorwerking van letselschadevergoedingen op het vermogen te inventariseren.

Lees verder

Late beschikbaarheid aangifteformulieren erf- en schenkbelasting

Late beschikbaarheid aangifteformulieren erf- en schenkbelasting

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen over de aangifte erf- en schenkbelasting beantwoord. De aangifteformulieren erf- en schenkbelasting zijn pas vanaf april of mei 2017 beschikbaar, terwijl de nieuwe regels op 1 januari 2017 zijn ingevoerd. Gevraagd is waarom de formulieren niet eerder beschikbaar waren.

Door het vervallen van een ontheffingsmogelijkheid van voor aangiftes geldende vormvoorschriften per 1 januari moet voor aangiftes die betrekking hebben op overlijdens en schenkingen na 1 januari gebruik gemaakt worden van het door de Belastingdienst ter beschikking gestelde formulier. Volgens de staatssecretaris zijn deze formulieren gewoonlijk in februari beschikbaar, maar is dat dit jaar vertraagd doordat er meer aanpassingen moesten worden aangebracht. Het is niet meer mogelijk om onder bijzondere omstandigheden gebruik te maken van vormvrije bijlagen. Alle mogelijke situaties moeten in het formulier verwerkt kunnen worden.

Voor aangiftes erfbelasting geldt dat deze binnen een termijn van acht maanden na het overlijden van de erflater moeten worden gedaan. Als daaraan is voldaan wordt geen belastingrente berekend. De staatssecretaris voorziet geen problemen met het tijdig kunnen doen van aangifte door het later beschikbaar komen van de aangifteformulieren. Naar verwachting worden in juni de eerste voorlopige aanslagen 2017 opgelegd. Voor de schenkbelasting geldt dat nooit belastingrente wordt berekend.

Lees verder

Belastingdienst schrijft klanten Zwitserse bank aan

Belastingdienst schrijft klanten Zwitserse bank aan

Het aanhouden van spaartegoeden in het buitenland is lange tijd niet ongebruikelijk geweest, zeker in de tijd dat rente in Nederland progressief werd belast. België, Luxemburg en Zwitserland waren populaire bestemmingen voor landgenoten die hun geld buiten het zicht van de Belastingdienst wilden houden. Door de structurele uitwisseling van gegevens met buitenlandse overheden is de kans dat de Belastingdienst verborgen buitenlands vermogen op het spoor komt steeds groter. Ook de opheffing van het bankgeheim in diverse landen speelt een belangrijke rol.

De Belastingdienst heeft onlangs een aantal Nederlandse rekeninghouders van een Zwitserse bank aangeschreven. Zij worden gevraagd om hun buitenlandse vermogen op te geven in de aangifte inkomstenbelasting 2016 en om eerdere aangiften zo nodig te verbeteren. Omdat de Belastingdienst hen al op het spoor is, komen de betrokkenen niet in aanmerking voor een verlaagde boete wegens vrijwillige verbetering.

Lees verder

Boete voor gebruik auto tijdens schorsing gematigd

Boete voor gebruik auto tijdens schorsing gematigd

Het is mogelijk het kenteken van een auto of een motorfiets te schorsen. Gedurende de periode van schorsing hoeft geen motorrijtuigenbelasting (mrb) te worden betaald. Het voertuig mag tijdens schorsing niet op de openbare weg komen. Gebeurt dat toch en wordt dat vastgesteld, dan wordt een naheffingsaanslag opgelegd.

Aan de eigenaar van een auto werd een naheffingsaanslag mrb met een boete opgelegd. De reden daarvoor was dat met de auto was gereden tijdens de periode van schorsing van het kenteken. De boete bedroeg 100% van de nageheven belasting.
De eigenaar meende dat de naheffingsaanslag te hoog was omdat hij de auto slechts op één dag had gebruikt. Dat is geen reden voor verlaging van de aanslag. Een naheffingsaanslag mrb wordt berekend over vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het gebruik van de weg is geconstateerd. Voor het berekende bedrag is niet van belang of de auto in een deel van de periode niet is gebruikt.

Het gerechtshof liet het beperkte gebruik wel meewegen bij de beoordeling van de hoogte van de boete. De eigenaar had de auto gebruikt om achteruitgang door langdurige stilstand te voorkomen. Het hof vond een boete van € 250 in plaats van € 962 volstaan voor het begane verzuim.

Lees verder

Forfaitaire rendementen box 3 voor 2018 en 2019

Forfaitaire rendementen box 3 voor 2018 en 2019

In een brief aan de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris van Financiën een prognose gegeven van de forfaitaire rendementen in box 3 voor de jaren 2018 en 2019.

Het forfaitaire rendement voor het jaar 2018 wordt gebaseerd op de gegevens van 2016. Deze gegevens zijn inmiddels bekend. De spaarrente bedroeg in 2016 0,56%, het aandelenrendement 7,90%, het rendement op obligaties 0,29% en de huizenprijsontwikkeling was 5,08%. Het forfaitaire rendement voor 2018 komt daarmee voor sparen uit op 1,30% en voor beleggen op 5,38%.

Voor de bepaling van het forfaitaire rendement voor het jaar 2019 zijn de rendementen van 2017 van belang. Meer dan een prognose kan op dit moment niet worden gegeven. Op basis van ramingen van het CPB voor de huizenprijsontwikkeling en de kapitaalmarktrente en het in het Belastingplan 2016 vermelde geprognotiseerde langetermijnrendement op aandelen van 8,25% komt het geschatte forfaitaire rendement voor 2019 voor sparen uit op 0,89% en voor beleggen op 5,33%.

Omdat de jaarlijkse bijstelling van het forfaitaire rendement in box 3 voor het volgende belastingjaar al vroeg in het jaar kan worden vastgesteld is de staatssecretaris van plan om de Tweede Kamer voortaan in het voorjaar daarover te informeren.

Lees verder

Sectorindeling werknemersverzekeringen

Sectorindeling werknemersverzekeringen

Voor de vaststelling van de hoogte van de premies werknemersverzekeringen worden werkgevers in een sector van het bedrijfs- en beroepsleven ingedeeld. De regeling Wet financiering sociale verzekeringen bepaalt op welke wijze de sectorindeling plaatsvindt. Wanneer werkzaamheden worden verricht in een bedrijfs- of beroepstak die is opgenomen in een bijlage bij de regeling, vindt indeling plaats op basis van die bijlage. Werkzaamheden die niet zijn opgenomen in de bijlage worden ingedeeld in de sector waarvan de werkzaamheden het meest overeenkomen met de niet opgenomen werkzaamheden.

Hof Arnhem-Leeuwarden was van oordeel dat een attractiepark terecht niet was ingedeeld in de sector speeltuinen en zwembaden maar in de sector kermissen en kermisgezelschappen. De attracties van het park leken het meest op de attracties die ook op kermissen aanwezig zijn. Het hof vond aannemelijk dat de bezoekers vooral vanwege de attracties naar het park kwamen. De overeenkomsten tussen kermissen en het attractiepark zijn groter dan die tussen speeltuinen en het attractiepark. Volgens de Hoge Raad heeft het hof op de juiste wijze rekening gehouden met de aard van de werkzaamheden voor de sectorindeling.

Lees verder

Min/max-overeenkomst en rechtsvermoeden arbeidsomvang

Min/max-overeenkomst en rechtsvermoeden arbeidsomvang

De wet kent een rechtsvermoeden van de arbeidsomvang. Dat rechtsvermoeden is bedoeld om de werknemer houvast te bieden wanneer de omvang van de arbeid niet of niet duidelijk is afgesproken of wanneer de feitelijke omvang van de arbeid structureel hoger is dan de overeengekomen arbeidsduur.

De vraag in een procedure voor de kantonrechter was of het rechtsvermoeden van arbeidsomvang ook speelt bij een min/max-overeenkomst. Een min/max-overeenkomst houdt in dat werkgever en werknemer zowel een minimum als een maximum aantal uren arbeid overeenkomen. Onderdeel van de afspraken is dat de werknemer in ieder geval recht heeft op loon over het minimum aantal overeengekomen uren. Ten aanzien van het aantal uren boven het minimum wordt afgesproken dat de werkgever de werknemer kan oproepen, waarna de werknemer in beginsel verplicht is aan deze oproep gehoor te geven.

De kantonrechter stelde vast dat de omvang van de arbeid duidelijk was omdat in de overeenkomst een minimum en een maximum aantal uren per periode was vastgelegd. De kantonrechter vond in dit geval de marge tussen het minimum en het maximum wel ruim, maar dat betekent niet dat dan de arbeidsomvang niet eenduidig zou zijn overeengekomen. Een beroep op het rechtsvermoeden kan dan alleen slagen als de arbeidsomvang structureel hoger ligt dan het maximum aantal overeengekomen uren. Daarvan was in dit geval geen sprake.

Lees verder

Nieuwsbrief april 2017

De nieuwsbrief van april 2017 staat online, wij verwijzen u graag naar de bijlage: 2017-04 nieuwsbrief Drechtsteden Accountants en Adviseurs

In deze nieuwsbrief kunt u o.a. lezen over:

  • einde pensioen in eigen beheer
  • gebruik camerabeelden door de Belastingdienst
  • overbruggingsregeling transitievergoeding

Wij wensen u veel leesplezier en alvast hele fijne paasdagen.

 

Lees verder

Cao-voorziening bij ontslag

Cao-voorziening bij ontslag

Een werkgever moet bij het einde van een arbeidsovereenkomst na ten minste 24 maanden aan de werknemer een transitievergoeding betalen als het initiatief voor de beëindiging bij de werkgever ligt. Er hoeft geen transitievergoeding te worden betaald wanneer in de cao een gelijkwaardige voorziening is opgenomen.

De vraag in een procedure voor de kantonrechter was of de in de cao opgenomen voorziening gelijkwaardig was aan de transitievergoeding. De procedure had betrekking op een werknemer die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was. De werknemer kwam op grond van de geldende pensioenregeling in aanmerking voor een arbeidsongeschiktheidspensioen in aanvulling op de arbeidsongeschiktheidsuitkering en voor premievrije voortzetting van de opbouw van het ouderdomspensioen.
Volgens de kantonrechter moet bij de beoordeling van gelijkwaardigheid van een voorziening niet worden gekeken naar het moment van uitkering van het pensioen maar naar het financiële voordeel dat de premievrije opbouw oplevert. De in de cao opgenomen voorziening is volgens de kantonrechter collectief gelijkwaardig. Hoe een regeling in het individuele geval uitpakt hoeft niet in de beoordeling te worden betrokken, omdat dat in veel gevallen pas achteraf kan worden beoordeeld.

Lees verder

Coulancetermijn aanpassing pensioenvoorziening in eigen beheer

Coulancetermijn aanpassing pensioenvoorziening in eigen beheer

De staatssecretaris van Financiën heeft een besluit met de uitwerking van de coulancetermijn voor aanpassing van een pensioenvoorziening in eigen beheer gepubliceerd. Dga’s hebben tot en met 30 juni 2017 de tijd voor:

  • het premievrij maken van het in eigen beheer opgebouwde pensioen;
  • het overbrengen van elders verzekerd pensioen naar de eigen bv;
  • het aanpassen van de pensioenbrief;
  • de besluitvorming in de algemene vergadering over het pensioen.

Op grond van de goedkeuring blijft een bv met een pensioen in eigen beheer tijdens de coulancetermijn een toegelaten verzekeraar in de zin van de loonbelasting. Dat betekent dat ook pensioenopbouw tijdens de coulancetermijn mogelijk is, mits deze is gebaseerd op een reeds bestaande pensioenregeling. Het tijdens de coulancetermijn opgebouwde pensioen telt mee bij de afkoop of de omzetting in een oudedagsverplichting.

Lees verder