Omzetbelasting

Nota van wijziging afschaffing landbouwregeling

De staatssecretaris van Financiën heeft een nota van wijziging ingediend op het wetsvoorstel ter afschaffing van de landbouwregeling in de btw. In de nota wordt het in het wetsvoorstel opgenomen overgangsrecht versoepeld. Door de aanpassing hoeven landbouwers die de landbouwregeling toepassen niet al in het eerste kwartaal van 2018 het recht op aftrek uit de periode vóór 2018 te effectueren. In plaats daarvan krijgt de landbouwer het hele jaar 2018 de tijd om zijn recht op aftrek in één keer te effectueren. De landbouwer heeft de keuze in welk aangiftetijdvak van 2018 hij deze aftrek wil claimen. De voorwaarde, dat de landbouwer de btw die hem in rekening is gebracht bij de aanschaf van investeringsgoederen die op 1 januari 2018 bij hem in gebruik zijn voor de resterende herzieningsperiode in één keer in aftrek moet brengen, blijft bestaan. De landbouwer moet aannemelijk maken dat de investeringsgoederen voor de resterende herzieningsperiode door hem voor belaste handelingen gebruikt zullen worden.

Het recht op aftrek van voorbelasting via de herzieningsregeling geldt overigens ook voor goederen en diensten die de landbouwer voor 1 januari 2018 heeft aangeschaft, maar op 1 januari 2018 nog niet in gebruik heeft genomen. De landbouwer moet deze btw uiterlijk in aftrek brengen in de aangifte over het belastingtijdvak waarin hij de goederen en diensten in gebruik neemt.

Afschaffing landbouwregeling

Afschaffing landbouwregeling

De huidige landbouwregeling in de omzetbelasting houdt landbouwers, veehouders, tuinbouwers en bosbouwers buiten de heffing van btw. Zij hoeven geen btw-administratie bij te houden. Omdat de landbouwer geen btw is verschuldigd over zijn leveringen en diensten, kan hij de aan hem in rekening gebrachte btw niet terugvragen. Om cumulatie van omzetbelasting in de bedrijfskolom te voorkomen heeft de afnemer van een landbouwer recht op een forfaitaire aftrek van voorbelasting. Dit forfait bedraagt 5,4% van de verkoopprijs die de landbouwer in rekening heeft gebracht. Toepassing van de landbouwregeling is niet verplicht, want landbouwers hebben de keuze om te opteren voor de gebruikelijke wijze van btw-heffing. Bedrijven die regelmatig investeren maken in de praktijk meestal geen gebruik van de landbouwregeling omdat de aftrek van voorbelasting aantrekkelijker is.
In de Miljoenennota van vorig jaar is de afschaffing van de landbouwregeling aangekondigd. Nu is het zo ver en ligt er een wetsvoorstel ter afschaffing van de regeling per 1 januari 2018. Dit heeft tot gevolg dat landbouwers vanaf 1 januari 2018 over hun prestaties btw moeten voldoen en btw over de aan hen verrichte prestaties kunnen terugvragen.

Overgangsrecht
Voor landbouwers die tot 1 januari 2018 gebruik maken van de landbouwregeling, is voorzien in overgangsrecht. Dat maakt mogelijk dat deze landbouwers alsnog in aanmerking komen voor de eerder niet genoten aftrek van voorbelasting op investeringsgoederen die vóór 1 januari 2018 in gebruik zijn genomen en op goederen en diensten, die op 1 januari 2018 nog niet in gebruik zijn genomen. Voor investeringsgoederen die voor 1 januari 2018 in gebruik zijn genomen geldt, in afwijking van de bestaande herzieningsregels, dat herziening van de aftrek van voorbelasting niet gespreid over de jaren maar in één keer plaatsvindt voor de resterende herzieningsperiode. Dat gebeurt in de aangifte over het eerste belastingtijdvak van 2018.
De aftrek van voorbelasting op goederen en diensten die vóór 1 januari 2018 zijn aangeschaft, maar na 1 januari 2018 in gebruik worden genomen, vindt plaats in de aangifte over het eerste belastingtijdvak van 2018 overeenkomstig de gewijzigde bestemming van deze goederen en diensten.

In het kader van de afschaffing van de landbouwregeling wordt het beleidsbesluit “Omzetbelasting Landbouw” met ingang van 1 januari 2018 ingetrokken.

Definitie geneesmiddelen

Definitie geneesmiddelen

Het verlaagde tarief in de btw is van toepassing op geneesmiddelen. Door een arrest van de Hoge Raad is duidelijk geworden dat de wettekst te ruim is. Volgens het arrest vallen ook fluoride tandpasta en zonnebrandcrème onder het lage tarief. Dat is niet de bedoeling. Daarom wordt de definitie van geneesmiddel voor de btw aangepast. Het lage tarief geldt dan alleen nog voor producten, die na goedkeuring van de bevoegde autoriteiten als geneesmiddel in de handel mogen worden gebracht. Bepalend is of een handelsvergunning is afgegeven.

In de Memorie van Toelichting wordt ingegaan op de vraag of geneesmiddelen met een handelsvergunning en producten zonder handelsvergunning soortgelijke producten zijn. Dat zou ertoe leiden dat zij vanwege het beginsel van fiscale neutraliteit voor de btw gelijk behandeld zouden moeten worden. Het kabinet denkt dat het hebben van een handelsvergunning en de bewezen werking van middelen met een handelsvergunning voldoende onderscheidend zijn om een verschil in toepassing van het btw-tarief te rechtvaardigen.

Hoog tarief voor alcoholische dranken bij de maaltijd

Hoog tarief voor alcoholische dranken bij de maaltijd

In navolging van de rechtbank is ook het hof van oordeel dat het hoge tarief voor de omzetbelasting van toepassing is op alcoholhoudende dranken, die een restaurant serveert bij maaltijden. De restauranthouder had toepassing van het lage tarief bepleit omdat het serveren van alcoholhoudende dranken als bijkomende prestatie op zou gaan in de levering van de maaltijd als hoofdprestatie. Op maaltijden, die ter plaatse worden genuttigd, is het lage tarief van toepassing. Het verstrekken van alcoholhoudende dranken is geen bijkomende prestatie bij het verstrekken van maaltijden, maar een afzonderlijke dienst.

Teruggaaf omzetbelasting

Teruggaaf omzetbelasting

Een ondernemer heeft recht op teruggaaf van omzetbelasting op leveringen en diensten waarvoor hij de vergoeding niet heeft en niet zal ontvangen. Het recht op teruggaaf ontstaat op het tijdstip waarop vaststaat dat de vergoeding geheel of gedeeltelijk niet zal worden betaald. Om aan onzekerheid een eind te maken is per 1 januari 2017 in de wet geregeld dat het recht op teruggaaf geacht wordt te zijn ontstaan uiterlijk één jaar na het tijdstip waarop de vergoeding opeisbaar is geworden.

Tot 1 januari 2017 gold dat het recht op teruggaaf ontstond op het tijdstip waarop redelijkerwijs kon worden aangenomen dat de schuldenaar de vergoeding niet zou voldoen. Wanneer dat was, werd binnen zekere marges overgelaten aan de beoordeling van de ondernemer. Wel gold dat de teruggaaf van omzetbelasting uiterlijk moest worden gevraagd bij de aangifte over het eerste tijdvak waarin betaling van de vergoeding niet meer in rechte kon worden gevorderd.

De beoordelingsvrijheid van de ondernemer met betrekking tot de vraag of redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de voldoening door de schuldenaar achterwege zal blijven is niet onbeperkt. Hof Den Bosch oordeelde in een procedure dat een in 2014 gedaan verzoek om teruggaaf te laat was ingediend. Uit de vaststaande feiten volgde dat ruim voor 2014 vaststond dat de vorderingen van de ondernemer niet betaald zouden worden. Door toch pas in 2014 een verzoek om teruggaaf in te dienen heeft de ondernemer zijn beoordelingsvrijheid overschreden. Het verzoek om teruggaaf was niet-ontvankelijk.

Geen kleineondernemersregeling voor buitenlandse ondernemer

Geen kleineondernemersregeling voor buitenlandse ondernemer

De kleineondernemersregeling in de omzetbelasting geldt voor natuurlijke personen die een onderneming drijven. De kleineondernemersregeling is een vermindering van de door de ondernemer aan de Belastingdienst te betalen omzetbelasting. De regeling is van toepassing op de ondernemer die op jaarbasis minder dan € 1.883 aan omzetbelasting verschuldigd is. Bedraagt de verschuldigde omzetbelasting minder dan € 1.883 maar meer dan € 1.345, dan wordt het aan de Belastingdienst te betalen bedrag aan omzetbelasting verminderd met 2,5 maal het verschil tussen € 1.883 en het bedrag van de te betalen belasting. Bedraagt de verschuldigde omzetbelasting niet meer dan € 1.345, dan leidt de vermindering ertoe dat de ondernemer geen omzetbelasting aan de Belastingdienst hoeft te betalen.

Voor de toepassing van de kleineondernemersregeling wordt aan de ondernemers de eis gesteld dat zij in Nederland wonen of in Nederland beschikken over een vaste inrichting. Een vaste inrichting is een plaats van waaruit het bedrijf mede wordt uitgeoefend. Een vaste inrichting moet een zekere mate van duurzaamheid hebben en moet geschikt zijn voor een zelfstandige verrichting van de diensten van de onderneming.

Een in Duitsland wonend echtpaar was eigenaar van een voor de verhuur bestemde vakantiewoning in Nederland. Het echtpaar was ondernemer voor de omzetbelasting. De verhuur vond plaats door tussenkomst van een verhuurkantoor. De vraag was of het echtpaar over een vaste inrichting in Nederland beschikte. Hof Den Bosch oordeelde dat de activiteiten van de onderneming feitelijk werden verricht door het verhuurkantoor. Het echtpaar verrichtte zelf in Nederland geen activiteiten en de vakantiewoning kwalificeerde niet als vaste inrichting. Het verhuurkantoor vormde geen in Nederland gelegen verlengstuk van de onderneming van het echtpaar en was daarmee ook geen vaste inrichting van de onderneming. Het verhuurkantoor verrichtte zijn activiteiten zelfstandig en voor meerdere opdrachtgevers. Omdat het echtpaar niet beschikte over een vaste inrichting in Nederland hadden de echtgenoten geen recht op toepassing van de kleineondernemersregeling.

Verzoek om teruggaaf buitenlandse btw

Verzoek om teruggaaf buitenlandse btw

Ondernemers, die in 2016 in een ander EU-land btw hebben betaald, kunnen deze btw terugvragen wanneer zij in dat land geen aangifte doen. Een verzoek om teruggaaf over 2016 moet vóór 1 oktober 2017 zijn ingediend. Dat kan via de website van de Belastingdienst. Verzoeken die later binnenkomen worden mogelijk niet meer in behandeling genomen. Houd er rekening mee dat voor een verzoek om teruggaaf inloggegevens nodig zijn. Wanneer het een eerste verzoek om teruggaaf van btw uit een ander EU-land betreft, moeten inloggegevens worden aangevraagd. Volgens de Belastingdienst kan het tot vier weken duren voordat de inloggegevens worden verstuurd.

Voorwaarden verzoek teruggaaf
U kunt btw terugvragen uit een EU-land als u aan een aantal voorwaarden voldoet:

  • Uw onderneming is in Nederland gevestigd.
  • Uw onderneming doet in het EU-land waar de btw wordt teruggevraagd, geen aangifte voor de btw. Doet de onderneming in het buitenland wel aangifte, dan kan de btw daar als voorbelasting in aftrek worden gebracht.
  • De btw heeft betrekking op goederen en diensten die voor met btw belaste bedrijfsactiviteiten worden gebruikt.

Verzoek om teruggaaf niet mogelijk
Een verzoek om teruggaaf van btw uit een ander EU-land is niet mogelijk in de volgende gevallen:

  • U bent geen ondernemer voor de btw.
  • Uw onderneming verricht uitsluitend vrijgestelde prestaties.
  • U heeft een ontheffing van administratieve verplichtingen.
  • U valt onder de landbouwregeling en voldoet niet aan de voorwaarden voor de teruggaafregeling van agrarische goederen.

Behandeling verzoek
De Belastingdienst van het EU-land waar de btw wordt teruggevraagd reageert binnen vier maanden bij beschikking op het verzoek om teruggaaf. Een verzoek wordt afgekeurd of geheel of gedeeltelijk goedgekeurd. Als het verzoek wordt goedgekeurd, volgt de betaling uiterlijk binnen tien werkdagen na afloop van de termijn van vier maanden.

Bijlagen bij verzoek
Afhankelijk van het EU-land waar btw wordt teruggevraagd moeten mogelijk facturen of invoerdocumenten worden meegestuurd. Op de website van de Belastingdienst is te vinden welke vereisten gelden per EU-land. Omvat een verzoek om teruggaaf een creditfactuur, dan moeten er mintekens voor het factuurbedrag en het btw-bedrag worden geplaatst zonder spatie tussen het minteken en het bedrag. Een creditfactuur die betrekking heeft op een factuur die in een eerder verzoek om teruggaaf is meegenomen moet aan het eerstvolgende verzoek om teruggaaf worden toegevoegd.

Omzet- en winstcorrecties

Omzet- en winstcorrecties

Over zogenaamde afroommodules in kassasystemen is enkele jaren geleden veel te doen geweest. Met behulp van een dergelijk stuk software in een geautomatiseerde kassa is het mogelijk om transacties, die via de kassa verlopen, geheel of gedeeltelijk uit de omzet te halen. De Belastingdienst beschikt over een lijst met types van kassasystemen die voorzien zijn van of voorzien kunnen worden van een afroommodule. Wanneer de Belastingdienst constateert dat van een dergelijke module gebruik is gemaakt, kan dat gevolgen hebben voor de omzetbelasting, de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting.

De Belastingdienst heeft aan een bv naheffingsaanslagen omzetbelasting en navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting opgelegd. De bv exploiteert een wokrestaurant en maakte gebruik van een kassasysteem dat een afroommodule had. Bij een controle van het kassasysteem is vastgesteld dat de afroommodule ook is gebruikt. Daardoor is een deel van de behaalde omzet niet in de administratie verwerkt. Volgens de Belastingdienst waren de aandeelhouders van de bv de personen die de afroommodule gebruikten om zo bedragen aan winst buiten de boeken te houden. De winstcorrecties bij de bv werden als uitdelingen van winst aan de aandeelhouders betrokken in navorderingsaanslagen inkomstenbelasting. Tegelijk met de naheffingsaanslagen en navorderingsaanslagen werden vergrijpboetes opgelegd aan de bv en de aandeelhouders.

In de procedures over de naheffings- en navorderingsaanslagen is de bewijslast omgekeerd en verzwaard omdat niet de vereiste aangiften zijn gedaan. De rechtbank stelde dat vast aan de hand van de constateringen van aanwezigheid en gebruik van de afroommodule in het kassasysteem. De verklaring van de aandeelhouders dat een werknemer degene zou zijn geweest die de afroommodule had gebruikt voor eigen gewin vond de rechtbank niet aannemelijk. Het is volgens de rechtbank niet gebruikelijk dat een ondernemer de kassa-afsluiting volledig en zonder enige controle aan een werknemer overlaat.

De opgelegde naheffings- en navorderingsaanslagen bleven in stand, omdat de door de inspecteur gehanteerde schattingen van de verzwegen omzet redelijk waren. De bv en haar aandeelhouders zijn er niet in geslaagd om aan de verzwaarde bewijslast te voldoen. Wel heeft de rechtbank de boetes verminderd, ten eerste omdat de grondslag daarvoor is bepaald met toepassing van omkering van de bewijslast en ten tweede wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling van de zaken.

Internetconsultatie aanpassing laag tarief btw voor geneesmiddelen

Internetconsultatie aanpassing laag tarief btw voor geneesmiddelen

Voor geneesmiddelen geldt het verlaagde btw-tarief van 6%. In een arrest uit 2016 heeft de Hoge Raad een ruimere uitleg gegeven aan het begrip geneesmiddel dan de wetgever voor ogen stond. Volgens dat arrest kwalificeren zonnebrandmiddelen met UVA- of UVB-filter en natriumfluoridehoudende tandpasta als geneesmiddel. Het verlaagde btw-tarief is daardoor in meer gevallen van toepassing. Het kabinet stelt nu voor om de definitie van geneesmiddel in de Wet OB 1968 aan te passen. Vrijstelling geldt voor die geneesmiddelen waarvoor een handelsvergunning volgens de Geneesmiddelenwet is verleend of niet is vereist, met de bestaande uitbreiding voor voorbehoedsmiddelen, infusievloeistoffen en voor geneeskundige doeleinden bestemde inhalatiegassen. De voorgestelde regeling ligt tot 14 augustus a.s. ter consultatie. Het is de bedoeling dat de gewijzigde tekst per 1 januari 2018 in de wet wordt opgenomen.