Loonbelasting

Pensioen geen onderdeel (gebruikelijk) loon

Pensioen geen onderdeel (gebruikelijk) loon

Een dga moet voor zijn werkzaamheden ten behoeve van zijn bv ten minste een gebruikelijk loon ontvangen. De vraag in een procedure was of bij het bepalen van de hoogte van het gebruikelijk loon rekening gehouden moet worden met een van de bv ontvangen pensioenuitkering.

Volgens de inspecteur omvat het gebruikelijk loon alleen het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Om die reden had de inspecteur het aangegeven loon uit dienstbetrekking van een dga in een reeks van jaren gecorrigeerd. De dga meende dat het begrip loon ook het loon uit vroegere dienstbetrekking omvat. Naast het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking ontving de dga ook een pensioenuitkering van de bv. Rekening houdend met de ontvangen pensioenuitkeringen zou dat betekenen dat het genoten loon hoger was dan het door de inspecteur na correctie vastgestelde loon.

Hof Den Bosch is van oordeel dat uit de letterlijke tekst van de wet volgt dat dit artikel betrekking heeft op de werknemer die arbeid verricht. Dat leidt er volgens het hof toe dat het gebruikelijk loon moet worden bepaald zonder rekening te houden met loon uit vroegere dienstbetrekking, zoals een pensioenuitkering van dezelfde bv. Dat strookt ook met doel en strekking van het wetsartikel. Het gaat er namelijk om een zakelijk loon uit dienstbetrekking voor de dga te bepalen en ongewenste salarisconstructies tegen te gaan. Uit de memorie van toelichting volgt dat er een verband is tussen de omvang van de werkzaamheden en het loon uit deze dienstbetrekking.

Liever een oude auto van de zaak?

Liever een oude auto van de zaak?

De werknemer met een auto van de zaak wordt geconfronteerd met een bijtelling bij zijn inkomen. De wet bevat namelijk de fictie dat een auto die voor zakelijk gebruik ter beschikking wordt gesteld, ook voor privégebruik ter beschikking wordt gesteld. De reguliere bijtelling voor auto’s, die in 2017 op kenteken worden gezet, bedraagt 22% van de waarde van de auto. De bijtelling wordt berekend over de oorspronkelijke cataloguswaarde van de auto inclusief btw en bpm. Voor auto’s die voor 1 januari 2017 op kenteken zijn gesteld, gelden andere percentages. De afgelopen jaren waren hybride auto’s populair onder werknemers, omdat voor dergelijke auto’s een lager bijtellingspercentage van toepassing was. De belangstelling voor hybride auto’s is afgenomen omdat voor dergelijke auto’s inmiddels het reguliere bijtellingspercentage geldt.

Uit cijfers van de BOVAG blijkt dat steeds meer zakelijke rijders kiezen voor een oudere auto. De reden daarvoor is de lagere bijtelling. Anders dan voor jongere auto’s wordt de bijtelling voor het privégebruik van auto’s van 15 jaar en ouder niet berekend over de oorspronkelijke catalogusprijs, maar over de waarde van de auto in het economisch verkeer. Wel geldt voor deze categorie een hoger bijtellingspercentage van 35.

Voorbeeld
Een snelle zoektocht op internet levert een keurige Audi A6 met een 2,5 liter 6-cilinder dieselmotor met slechts 180.000 km op de teller op voor € 3.500. De bijtelling voor deze auto bedraagt 35% van € 3.500 is € 1.225 per jaar, dus iets meer dan € 100 per maand. Netto kost het privégebruik de berijder € 637 per jaar, uitgaande van een belastingtarief van 52%. Vergelijken we deze auto met een nieuwe A6 met een 6-cilinder dieselmotor, dan moeten we uitgaan van de catalogusprijs van minimaal € 61.600. De bijtelling komt dan uit op een bedrag van € 13.550 per jaar. Netto is dat ruim € 7.000.
Het leasetarief voor deze auto bij een jaarkilometrage van 20.000 en een leaseperiode van 60 maanden bedraagt bijna € 1.000 per maand, exclusief btw. Voor dat geld kan men zakelijk wel de mogelijke extra onderhoudskosten van een oudere auto dragen.

Toegegeven, het is appels met peren vergelijken (een nieuwe auto versus een 20 jaar oude), maar het maakt de verschillen wel duidelijk.

Overzicht maatregelen in regeerakkoord

Overzicht maatregelen in regeerakkoord

De onderhandelingen over een nieuw kabinet hebben geresulteerd in een lijvig regeerakkoord, dat bol staat van de plannen en ambities. Onderstaand volgt een beknopt overzicht. Voor de goede orde, het gaat om plannen die in de periode van 2018 tot en met 2021 nog moeten worden omgezet in wetgeving. Daarmee kan worden begonnen wanneer het nieuwe kabinet is geïnstalleerd. 

Arbeidsmarkt
Ontslagrecht
Er komt een regeling om ontslag mogelijk te maken op basis van een cumulatie van ontslaggronden. Deze regeling moet ontslag mogelijk maken wanneer de afzonderlijke ontslaggronden daartoe onvoldoende basis bieden, maar de combinatie van meerdere gronden leidt tot een situatie waarin niet van de werkgever verlangd kan worden dat hij de arbeidsovereenkomst voortzet. De rechter kan de transitievergoeding in een dergelijk geval met 50% verhogen.
Werknemers krijgen vanaf het begin van hun arbeidsovereenkomst recht op transitievergoeding bij ontslag. De transitievergoeding bedraagt voor ieder dienstjaar een derde maandsalaris, ook bij duren langer dan 10 jaar.
De mogelijkheid om scholingskosten in mindering te brengen op de transitievergoeding wordt verruimd.

Tijdelijke contracten
De tussenliggende periode voor opvolgende contracten blijft zes maanden. Er komt meer ruimte om per sector hiervan af te wijken als de aard van het werk daarom vraagt. Tijdelijke contracten voor vervanging tijdens ziekte in het primair onderwijs worden uitgezonderd van de ketenbepaling. De periode waarna elkaar opeenvolgende tijdelijke contracten overgaan in een contract voor onbepaalde tijd, wordt verlengd naar drie jaar.

Proeftijd
Er komen mogelijkheden om een langere proeftijd op te nemen in arbeidscontracten. In een eerste contract voor onbepaalde tijd mag de proeftijd vijf maanden bedragen. In tijdelijke contracten voor langer dan twee jaar mag de proeftijd drie maanden bedragen.

Loondoorbetaling bij ziekte
De periode van verplichte loondoorbetaling bij ziekte wordt voor werkgevers met maximaal 25 werknemers verkort naar één jaar. De verantwoordelijkheid voor loondoorbetaling en een aantal re-integratieverplichtingen gaan na dat jaar over naar het UWV. De collectieve kosten van het tweede jaar worden gedekt via een door deze groep werkgevers te betalen premie.

Zzp’ers
De Wet DBA wordt ingetrokken. Er komt een nieuwe wet die echte zelfstandigen de zekerheid moet bieden dat er geen sprake is van een dienstbetrekking en die schijnzelfstandigheid moet voorkomen. Daarvoor wordt een opdrachtgeversverklaring ingevoerd. De combinatie van een laag tarief en een overeenkomst die langer duurt dan drie maanden leidt tot de constatering van een arbeidsovereenkomst. Een laag tarief wil zeggen maximaal 125% van het wettelijk minimumloon of de laagste loonschaal in de geldende cao.

Partnerverlof bij geboorte
Het doorbetaalde kraamverlof voor partners na bevalling wordt per 1 januari 2019 verlengd naar vijf dagen. Per 1 juli 2020 komt er een regeling voor aanvullend kraamverlof van vijf weken. Dit verlof moet binnen een half jaar na de geboorte worden opgenomen. Het UWV betaalt de werknemer tijdens het verlof een uitkering van 70% van het dagloon.

Belastingstelsel
Loon- en inkomstenbelasting
Er komt in 2019 een tweeschijvenstelsel met een basistarief van 36,93% en een toptarief van 49,5%.  Het toptarief geldt vanaf een inkomen van ca. € 68.600. Dit bedrag blijft gedurende de kabinetsperiode op het niveau van 2018. 
De algemene heffingskorting en de arbeidskorting gaan omhoog. Wel wordt de arbeidskorting sneller afgebouwd dan nu het geval is. Het recht op de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting voor mensen met een ZW-uitkering vervalt.

De looptijd van de 30%-regeling wordt verkort van acht naar vijf jaar.

De onbelaste vergoeding voor vrijwilligers gaat omhoog van € 1.500 naar € 1.700 per jaar.

Aftrekposten, zoals de hypotheekrenteaftrek en de zelfstandigenaftrek, die nu nog in het hoogste tarief vallen, gaan vanaf 2020 in vier jaarlijkse stappen van 3% omlaag naar het basistarief. De versnelde afbouw van de hypotheekrenteaftrek wordt gecompenseerd door een verlaging van het eigenwoningforfait met 0,15%, ingaande in 2020. De regeling, die bij geen of een beperkte eigen woningschuld bijtelling van het eigenwoningforfait voorkomt, wordt vanaf 2018 in 20 jaar stapsgewijs afgebouwd.

Het tarief in box 2 wordt verhoogd van 25 naar 27,3% in 2020 en naar 28,5% in 2021.

Het heffingsvrije vermogen in box 3 gaat omhoog naar € 30.000. Verder zal sneller worden aangesloten bij het werkelijk rendement van spaartegoeden. Dat gebeurt door uit te gaan van de gemiddelde spaarrente in de periode van anderhalf tot een half jaar voor de aanvang van het belastingjaar. In de komende kabinetsperiode zal een stelsel van heffing op basis van het werkelijke in plaats van een forfaitair rendement worden uitgewerkt.

Vennootschapsbelasting
De grondslag voor de belasting van bedrijven wordt verbreed. De opbrengst daarvan wordt benut om de tarieven in de vennootschapsbelasting te verlagen. De huidige tarieven gaan in stappen van 20 en 25% naar 16 en 21% per 2021. In 2019 gaan de tarieven naar 19 en 24% en in 2020 naar 17,5 en 22,5%. De in het Belastingplan 2017 opgenomen stapsgewijze verlenging van de eerste schijf in de vennootschapsbelasting naar € 350.000 gaat niet door. De eerste schijf eindigt ook na 2017 bij een winst van € 200.000.

De verrekening van verliezen in de vennootschapsbelasting wordt beperkt. Een verlies kan nu nog worden verrekend met winsten van de negen volgende jaren. Dat wordt beperkt tot zes jaar. De verrekening van een verlies met winst van eerdere jaren blijft beperkt tot de winst van het voorafgaande jaar.

Het effectieve tarief voor winst in de innovatiebox gaat omhoog van 5 naar 7%.

Vanaf 2019 wordt de afschrijving op een gebouw in eigen gebruik beperkt en kan de boekwaarde niet lager worden dan de WOZ-waarde. Nu is dat nog 50% van de WOZ-waarde.

Omzetbelasting
Het lage tarief van de btw gaat van 6 naar 9%.

Overige belastingen
De dividendbelasting wordt afgeschaft. Er komt een bronbelasting op rente en royalty’s. Financiering met eigen vermogen wordt aantrekkelijker door de aftrekbaarheid van vreemd vermogen te beperken.

Onvoldoende bewijs geen privégebruik

Onvoldoende bewijs geen privégebruik

Indien een werkgever aan een werknemer een auto ook voor privégebruik ter beschikking stelt, heeft dat tot gevolg dat op kalenderjaarbasis ten minste 25% van de waarde van de auto bij het loon van de werknemer wordt geteld. De wet bevat de fictie dat het ter beschikking stellen van een auto voor zakelijk gebruik inhoudt dat de auto ook privé wordt gebruikt. Er vindt geen bijtelling bij het loon plaats als de werknemer erin slaagt om te bewijzen dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer privé is gebruikt. Dat kan aan de hand van een rittenregistratie, maar mag ook op een andere manier worden aangetoond. Wanneer een werkgever aan een werknemer twee of meer auto’s ter beschikking stelt, moet voor iedere auto een bijtelling worden toegepast.

Voor Hof Arnhem-Leeuwarden is onlangs een procedure gevoerd over het privégebruik van twee auto’s van de zaak door de dga van een bv. Voor de ene auto was een bijtelling voor privégebruik bij het loon in de administratie verwerkt. Voor de andere auto niet. Er werd voor de tweede auto in een reeks van jaren geen rittenregistratie bijgehouden. Wel was er een schriftelijke verklaring van de bv dat alleen de andere auto privé mocht worden gebruikt. Het hof was van oordeel dat de inspecteur terecht voor de tweede auto een bijtelling in aanmerking had genomen. Iedere vorm van objectief bewijs, dat het privégebruik per kalenderjaar niet meer dan 500 kilometer had bedragen, ontbrak. Voor een van de jaren was achteraf een rittenregistratie opgesteld. Ook die kon niet dienen als bewijs, omdat objectief controleerbare gegevens, zoals gegevens van de Nationale Auto Pas of facturen van garagebedrijven, ontbraken. De rittenregistratie bevatte geen begin- en eindstanden en geen exacte adressen van het startpunt en de bestemming.

Afzien van stamrecht leidt tot belastingheffing

Afzien van stamrecht leidt tot belastingheffing

Tot 1 januari 2014 was het mogelijk om de belastingheffing over een ontslagvergoeding uit te stellen door de vergoeding in de vorm van een recht op periodieke uitkeringen te gieten. In een dergelijk geval was niet de gehele vergoeding in een keer belast, maar werden de uitkeringen uit het recht belast op het moment van uitkering. Het prijsgeven van het recht op uitkering door af te zien van de uitkeringen leidt tot belastingheffing ineens over de waarde van het gehele recht. 

Bij de beëindiging van zijn dienstbetrekking in 1991 ontving een werknemer een ontslagvergoeding. Die werd in de vorm van een stamrecht ondergebracht in een bv van de werknemer. Volgens de stamrechtovereenkomst zouden de uitkeringen in 2007 ingaan bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. In 2007 betaalde de bv een deel van de overeengekomen jaarlijkse stamrechtuitkering. Daarna deed de bv geen betalingen meer uit hoofde van de stamrechtovereenkomst. Omdat de bescheiden stamrechtuitkering uit 2007 niet is gevolgd door nadere stamrechtuitkeringen ondanks dat de werknemer daar gedurende de rest van zijn leven recht op had, oordeelde Hof Amsterdam dat de werknemer zijn aanspraak heeft prijsgegeven. Dat heeft tot gevolg dat de waarde van de aanspraak tot het loon uit vroegere dienstbetrekking moest worden gerekend. De werknemer slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij de aanspraak had prijsgegeven omdat deze niet voor verwezenlijking vatbaar was. Indien en voor zover de aanspraak niet te verwezenlijken was zou het prijsgeven daarvan niet tot belastingheffing hebben geleid.

Omdat op grond van de stamrechtovereenkomst de eerste uitkering in 2007 zou moeten worden gedaan en er in dat jaar een deel van de uitkering waarop de werknemer recht had is uitbetaald, ging het hof ervan uit dat besluit om de aanspraak prijs te geven in 2007 is genomen. Het hof was van oordeel dat de inspecteur de waarde van de stamrechtaanspraak terecht tot het inkomen uit werk en woning over het jaar 2007 van de werknemer heeft gerekend.

Uitoefening optierecht na vertrek uit Nederland

Uitoefening optierecht na vertrek uit Nederland

Voor uit het buitenland afkomstige werknemers met bijzondere expertise kan op verzoek de 30%-regeling in de loonbelasting worden toegepast. Bij toepassing van deze regeling wordt 30% van de totale bruto beloning aangemerkt als een onbelaste vergoeding voor de extra kosten van huisvesting buiten het land van herkomst. De vraag in een procedure was of de 30%-regeling ook mocht worden toegepast op aan een werknemer toegekende aandelenoptierechten. De opties werden uitgeoefend nadat de werknemer uit Nederland was vertrokken.

De werknemer werd door een buitenlandse moedermaatschappij uitgezonden naar een Nederlandse dochtervennootschap. De opties waren door de moedermaatschappij voorwaardelijk verstrekt. Ieder jaar werd 25% percent van de toegekende opties onvoorwaardelijk. De eerste tranche werd onvoorwaardelijk in het jaar na toekenning. Gedurende de werkzame periode in Nederland werden enkele tranches van de opties onvoorwaardelijk. De opties werden uitgeoefend na vertrek uit Nederland.
Volgens de rechtbank was het bij uitoefening van de optierechten genoten voordeel aan te merken als opbrengst van arbeid in een in eerdere jaren in Nederland uitgeoefende dienstbetrekking. De 30%-regeling was op dat voordeel niet meer van toepassing omdat deze regeling was geëindigd op de laatste dag van het loontijdvak na het einde van de periode waarin de werknemer in Nederland heeft gewerkt.

De Hoge Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Volgens de Hoge Raad is het niet van belang of wellicht een eerder genietingsmoment dan het moment van uitoefening van een aandelenoptierecht kan worden vastgesteld. De waarde van een optierecht wordt niet tot het loon gerekend. In plaats daarvan wordt de bij uitoefening van het optierecht genoten opbrengst als loon belast. De rechtbank heeft het heffingsmoment correct vastgesteld. De 30%-regeling is niet van toepassing. De opvatting van de werkmaatschappij dat deze regeling wel op het optievoordeel moet worden toegepast omdat de tewerkstelling van de werknemer bij het concern doorliep na afloop van de uitzendperiode naar Nederland, is niet juist. Bepalend voor de toepassing van de 30%-regeling is de tewerkstelling in Nederland.

Maatregelen loonbelasting

Maatregelen loonbelasting

Niet-uitvoerende bestuurders
Bestuurders van een beursgenoteerde vennootschap zijn fictief in dienstbetrekking werkzaam bij de vennootschap. De fictieve dienstbetrekking voor commissarissen is vervallen, aanvankelijk op basis van een besluit, en met ingang van 1 januari 2017 op basis van de wet. Nu wordt voorgesteld ook de fictieve dienstbetrekking voor niet-uitvoerende bestuurders van een beursgenoteerde vennootschap af te schaffen. Daardoor ontstaat een gelijke behandeling van commissarissen en niet-uitvoerende bestuurders. Een uitvoerende bestuurder blijft onder de loonbelasting vallen, ongeacht of hij bestuurder is van een beursgenoteerde of een niet beursgenoteerde vennootschap. Wie uitvoerend of niet-uitvoerend bestuurder is, blijkt uit het Handelsregister.

Alleenstaande ouderenkorting in de loonheffing
De alleenstaande ouderenkorting kan bij de inhouding van loonheffing alleen worden toegepast indien de alleenstaande oudere op zijn AOW-uitkering de standaardloonheffingskorting toepast. Nu wordt voorgesteld dat de Sociale Verzekeringsbank de alleenstaande ouderenkorting mag toepassen op de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen bij alleenstaande ouderen die geen AOW-uitkering ontvangen. Deze maatregel verkleint het aantal alleenstaande ouderen dat aangifte inkomstenbelasting moet doen om de korting te gelde te maken.

Pseudo-eindheffing over excessieve vertrekvergoedingen
Of een vertrekvergoeding bij einde dienstbetrekking excessief is wordt vastgesteld aan de hand van een rekenregel. Bepaalde onvoorwaardelijke aandelenoptierechten, die enkele jaren voor het jaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd zijn verstrekt aan de vertrekkende werknemer, tellen niet mee in deze rekenregel. De Hoge Raad heeft gezegd dat dit ook geldt voor aandelenoptierechten die nog niet onvoorwaardelijk waren. De pseudo-eindheffing over excessieve vertrekvergoedingen kan door dat arrest worden beperkt of voorkomen door constructies met voorwaardelijke aandelenoptierechten. Om dat te voorkomen wordt de regeling aangepast.

Beperking toepassing heffingskortingen buitenlandse belastingplichtigen
Heffingskortingen bestaan uit een premiedeel en een belastingdeel. Sinds 2015 zijn buitenlandse belastingplichtigen te onderscheiden in kwalificerende en niet kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen. Kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen hebben in de inkomstenbelasting recht op dezelfde fiscale voordelen als binnenlandse belastingplichtigen, waaronder het belastingdeel van alle heffingskortingen. Niet-kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen uit landen binnen de EU of de EER hebben in de inkomstenbelasting enkel recht op het belastingdeel van aan arbeid gekoppelde heffingskortingen. Niet-kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen uit derde landen hebben in de inkomstenbelasting voor geen van de heffingskortingen recht op het belastingdeel.

Het kabinet stelt voor om vanaf 2019 in de loonbelasting voor alle buitenlandse belastingplichtigen alleen nog maar het belastingdeel van de heffingskortingen toe te laten passen waarop niet kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen uit het betreffende land in de inkomstenbelasting recht hebben. Op grond van de voorgestelde maatregel wordt bij buitenlandse belastingplichtigen uit een land binnen de EU of de EER vanaf 2019 in de loonbelasting alleen van de arbeidskorting het belastingdeel toegepast. Bij buitenlandse belastingplichtigen uit derde landen wordt van geen enkele heffingskorting het belastingdeel toegepast. Bij de voorgestelde wijziging wordt geen onderscheid gemaakt tussen kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen en niet-kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen.

Niet sluitende rittenregistraties

Niet sluitende rittenregistraties

Wanneer een werkgever aan een werknemer een auto ter beschikking stelt, geldt het wettelijk vermoeden dat de auto ook privé wordt gebruikt. Het voordeel van het privé mogen gebruiken van een auto van de zaak leidt tot een bijtelling bij het loon. Dat voordeel bedraagt tenminste 22% van de waarde van de auto. Er volgt geen bijtelling als de werknemer overtuigend aantoont dat de auto op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé wordt gebruikt. Dat bewijs kan worden geleverd met behulp van een rittenregistratie, maar ook op andere wijze.

Oordeel over rittenregistraties
Aan een bv werden naheffingsaanslagen loonbelasting opgelegd omdat de bv geen rekening had gehouden met een bijtelling voor privégebruik bij het salaris van haar dga. De bv kwam in hoger beroep met andere rittenregistraties dan zij in bezwaar en in beroep had aangevoerd. Het hof vond niet overtuigend aangetoond dat met de auto per jaar niet meer dan 500 kilometer privé was gereden. Bepalend vond het hof dat de nieuwe rittenregistraties, die betrekking hadden op de jaren 2009 en 2010 pas in 2017 waren opgesteld. In tegenstelling tot de eerdere rittenregistraties bevatten de nieuwe registraties geen enkele privérit, terwijl de dga en zijn echtgenote in privé geen auto hadden. De nieuwe rittenregistraties bevatten enkele opmerkelijke zakelijke ritten, namelijk op Koninginnedag en op beide Kerstdagen. Tenslotte sloot de eindstand van 2009 niet aan bij de beginstand van 2010. De dga heeft in de procedure voor het hof de onduidelijkheden en verschillen in de rittenregistraties niet kunnen verklaren. Dat leidde tot het oordeel dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.

Boete
Tegelijk met de naheffingsaanslagen heeft de inspecteur vergrijpboeten opgelegd omdat het aan grove schuld van de bv te wijten was dat geen loonbelasting over het privégebruik is betaald. Deze boeten bleven in stand. Het hof nam bij de beoordeling in aanmerking dat de Belastingdienst bij een eerder boekenonderzoek erop had gewezen dat een beperkt privégebruik moet kunnen worden aangetoond en dat de werkgever controle op het gebruik van de auto moet uitvoeren. Zowel de oorspronkelijke als de latere rittenregistraties waren geen betrouwbare en sluitende weergave van de met de auto gereden ritten. Daar kwam nog bij dat de dga anderen gebruik liet maken van de auto zonder te letten op de aard van dat gebruik. Dat gebrek aan kennis rekende het hof toe aan de bv. Volgens het hof was het op zijn minst aan grove schuld van de bv te wijten dat de voor het privégebruik van de auto verschuldigde belasting niet is betaald.

Opschorting handhaving Wet DBA verlengd tot 1 juli 2018

Opschorting handhaving Wet DBA verlengd tot 1 juli 2018

De staatssecretaris van Financiën heeft laten weten dat de opschorting van de handhaving van de Wet DBA wordt verlengd tot in ieder geval 1 juli 2018. Voor de goede orde zij vermeld dat dit niet geldt voor kwaadwillenden.

De mededeling van de staatssecretaris is gedaan naar aanleiding van het verschijnen van een rapport betreffende het onderzoek naar varianten voor de kwalificatie van de arbeidsrelatie. Bij de aanbieding van dat rapport aan de Tweede Kamer heeft de minister van Sociale Zaken gezegd dat de keuze voor vervolgstappen in het DBA-dossier aan een nieuw kabinet worden overgelaten.