Inkomstenbelasting

Nabetaling is onderdeel loon

Nabetaling is onderdeel loon

Het loonbegrip in de fiscale wetgeving is ruim en omvat alle voordelen die iemand uit een dienstbetrekking geniet. Vergoedingen die in het kader van de dienstbetrekking worden betaald zijn onderdeel van het loonbegrip.

Onder verwijzing naar het ruime loonbegrip heeft Hof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat een van een vroegere werkgever ontvangen nabetaling tot het loon behoorde. De vroegere werkgever had het bedrag na inhouding van loonbelasting betaald aan de advocaat van de werknemer. De advocaat verrekende de betaling met door de werknemer nog niet betaalde rekeningen. Volgens het hof heeft de advocaat de nabetaling namens de werknemer ontvangen en heeft de werknemer de nabetaling op deze manier genoten. De betaling vloeide voort uit een vroegere dienstbetrekking.

Onzakelijke borgstelling

Onzakelijke borgstelling

Het ter beschikking stellen van vermogen aan een bv, waarin de terbeschikkingsteller een aanmerkelijk belang heeft, wordt belast als resultaat uit overige werkzaamheden in box 1 van de inkomstenbelasting. Het aangaan van een borgstelling is geen terbeschikkingstelling, maar een vergoeding voor het aangaan van borgtocht wordt wel als een voordeel uit terbeschikkingstelling aangemerkt. Zodra de borg heeft betaald ontstaat een regresvordering op de bv. De borg kan voorafgaand aan de betaling uit hoofde van de borgtocht mogelijk een voorziening vormen.

Een verlies uit de borgstelling komt niet ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden wanneer de borgstelling is toe te rekenen aan het handelen als aandeelhouder, met andere woorden, wanneer de zakelijkheid voor het aangaan van de borgstelling ontbreekt. Of een borgstelling onzakelijk is, hangt af van het antwoord op de vraag of er een vergoeding is waartegen een onafhankelijke derde eenzelfde borgstelling zou hebben aanvaard. Dat bij het aangaan van de borgstelling niet duidelijk is dat de bv het ontvangen krediet niet zal terug kunnen betalen, sluit niet uit dat een onafhankelijke derde niet bereid zou zijn geweest eenzelfde aansprakelijkheid te aanvaarden.

Hof Arnhem-Leeuwarden is van oordeel dat een bij de oprichting van twee bv’s aangegane borgstelling onzakelijk was. De bv’s hadden elk een gering eigen vermogen van € 18.000. De bv’s waren opgericht voor de ontwikkeling van een internetplatform. Gezien de benodigde ontwikkelingskosten ging het om een risicovol project. De bank was niet bereid de bv’s onder gebruikelijke voorwaarden te financieren. Naast verpanding van de bezittingen van de moedermaatschappij van de bv’s moesten de Staat en de dga zich borg stellen voor het volledige bedrag van de lening. De dga heeft voor zijn borgstelling geen zekerheden of vergoeding bedongen. Na een faillissement van de bv’s werd de dga door de bank aangesproken op zijn borgstelling. Vanwege de onzakelijkheid van de borgstelling kwam het daarop geleden verlies niet in aftrek.

Geen step-up aanmerkelijk belang bij remigratie

Geen step-up aanmerkelijk belang bij remigratie

De meeropbrengst van aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoren is belast met inkomstenbelasting. De meeropbrengst is het verschil tussen de verkoopopbrengst en de verkrijgingsprijs van de aandelen. De verkrijgingsprijs is de bij de verkrijging betaalde tegenprestatie, vermeerderd met de kosten die voor rekening van de verkrijger zijn gekomen.

Voor een immigrant met een aanmerkelijk belang geldt een afwijkende verkrijgingsprijs. Deze afwijkende verkrijgingsprijs wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer op het tijdstip van immigratie. Deze afwijkende regeling geldt echter niet voor een immigrant die eerder uit Nederland is geëmigreerd. De Nederlandse wettelijke regeling is bedoeld om de verkrijgingsprijs van aanmerkelijkbelangaandelen zodanig vast te stellen dat Nederland in beginsel belasting heft over de waardeaangroei van die aandelen die is ontstaan in een periode van Nederlandse belastingplicht. Dat kan binnenlandse maar ook buitenlandse belastingplicht zijn.

Een uit Nederland geëmigreerde inwoner van België verkreeg 50% van de aandelen in een in Nederland gevestigde bv. Tijdens zijn verblijf in België was de aandeelhouder buitenlands belastingplichtig ter zake van de aandelen. Bij zijn remigratie naar Nederland werd de verkrijgingsprijs van zijn aandelen vastgesteld volgens de hoofdregel en niet vermeerderd met de waardeaangroei die was opgetreden tijdens zijn verblijf in België. Volgens de Hoge Raad is niet van belang dat Nederland op grond van de tekst van het verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing met België geen belasting had kunnen heffen wanneer de aandeelhouder zijn aandelen had verkocht in de periode dat hij in België woonde.

De Hoge Raad merkt nog op dat de procedure betrekking heeft op een door de inspecteur gegeven beschikking waarin de verkrijgingsprijs van de aandelen is vastgesteld. Met betrekking tot de aandelen heeft zich geen belastbaar feit voorgedaan. Wanneer de aandelen worden verkocht na de immigratie is de volledige waardeaangroei van de aandelen belast. Volgens de Hoge Raad is dat niet in strijd met het belastingverdrag met België.

Multiplier giftenaftrek

Multiplier giftenaftrek

Sinds 2012 worden giften aan culturele instellingen voor de bepaling van de giftenaftrek in de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting verhoogd door vermenigvuldiging met een bepaalde factor. Het doel van deze regeling is om giften aan culturele instellingen te stimuleren. De regeling was tijdelijk bedoeld en zou eindigen per 1 januari 2018. In januari 2017 is de regeling geëvalueerd. De conclusies die aan de evaluatie verbonden worden zijn voorbehouden aan het volgende kabinet. Dat moet besluiten of de regeling al dan niet wordt voortgezet. Om het nieuwe kabinet niet voor de voeten te lopen wordt voorgesteld om de regeling een jaar te verlengen.

Onderhoudskosten tuin van monumentenpand

Onderhoudskosten tuin van monumentenpand

De onderhoudskosten voor een monumentenpand zijn aftrekbaar voor de inkomstenbelasting als persoonsgebonden aftrek. Tot de onderhoudskosten worden gerekend de kosten om het pand in bruikbare staat te herstellen of te houden, voor zover deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt.

Inzet van een procedure was de vraag of ook de kosten van het onderhoud van de bij een monumentenpand behorende tuin aftrekbaar zijn. Het ging er met name om of voor aftrek van deze kosten voldoende is dat het woonhuis een monumentenpand is en de tuin een aanhorigheid is bij het woonhuis, of dat voor aftrek nodig is dat ook de tuin een monument is. Voor de toepassing van de eigenwoningregeling behoort een tuin als aanhorigheid tot de eigen woning.
Hof Arnhem-Leeuwarden leidt uit de tekst van de Wet IB 1964 en uit de wetshistorie af dat de wetgever de bedoeling had om met de aftrek van onderhoudskosten aan te sluiten bij de destijds geldende Monumentenwet. De vervanging van de Monumentenwet door de Monumentenwet 1988 en van de Wet IB 1964 door de Wet IB 2001 hebben daarin geen wijziging gebracht. Dit betekent volgens het hof dat voor aftrek van de onderhoudskosten van de tuin vereist is dat de tuin een monument is of als onderdeel van een monument is ingeschreven in het monumentenregister.

Toepassing reisaftrek

Toepassing reisaftrek

Wie in loondienst werkzaam is, heeft recht op reisaftrek als hij zijn woon-werkverkeer met openbaar vervoer aflegt. De met openbaar vervoer afgelegde afstand enkele reis tussen woning en plaats van werkzaamheden moet meer dan 10 kilometer bedragen om recht te hebben op de reisaftrek.

Een belastingplichtige vond het niet toekennen van de reisaftrek een vorm van niet toegestane discriminatie, omdat hij door zijn werktijden geen gebruik kon maken van het openbaar vervoer. Daardoor was hij gedwongen om met de auto naar zijn werk te gaan. Er is niet snel sprake van discriminatie. De wetgever heeft op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid bij het beantwoorden van de vraag of gevallen gelijk zijn en of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om gelijke gevallen toch verschillend te regelen. Zolang het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon moet het oordeel van de wetgever worden geaccepteerd, tenzij dat oordeel niet op een redelijke grond berust.

De wetgever heeft met de reisaftrek het woon-werkverkeer per auto terug willen dringen en het reizen met openbaar vervoer willen stimuleren. Daarom is de reisaftrek alleen van toepassing op regelmatig woon-werkverkeer, waarbij de reisafstand geheel of gedeeltelijk per openbaar vervoer is afgelegd. Deze keuze van de wetgever is volgens Hof Arnhem-Leeuwarden niet onredelijk en moet daarom gerespecteerd worden.

Gastouder kan ondernemer zijn

Gastouder kan ondernemer zijn

Winst uit onderneming is het totale bedrag van de voordelen die iemand verkrijgt uit een onderneming. Of sprake is van een onderneming hangt af van de duurzaamheid en omvang van de werkzaamheden, de grootte van de brutobaten, de winstverwachting, het lopen van ondernemersrisico, de beschikbare tijd, de bekendheid die naar buiten aan de activiteit wordt gegeven, het aantal opdrachtgevers en de omvang van de investeringen.

Hof Den Haag merkte de activiteiten van een gastouder aan als onderneming. De gastouder was met haar activiteiten in 2007 begonnen. Via drie geregistreerde gastouderbureaus sloot de gastouder overeenkomsten met ouders. Zij verrichtte haar activiteiten op meerdere dagen per week en ving zes tot zeven kinderen op van drie tot vier ouderparen. Aan de eisen van duurzaamheid, omvang, beschikbare tijd en het aantal opdrachtgevers was voldaan. Ten aanzien van de omvang van de brutobaten en de winstverwachting nam het hof de stijging in de jaren 2013 tot en met 2015 mede in aanmerking. Het hof vond het lopen van ondernemersrisico aannemelijk. De gastouder liep debiteurenrisico en inkomensrisico. De gastouder was verder aansprakelijk voor eventuele schade die ontstond tijdens de door haar verzorgde opvang. Om haar bekendheid naar buiten te vergroten maakte de gastouder gebruik van een eigen website, een facebookpagina, visitekaartjes en mond-tot-mondreclame. De beperkte omvang van de investeringen vond het hof inherent aan de aard van de activiteiten, die plaatsvonden op het woonadres van de gastouder.

Geen verlenging restschuldregeling

Geen verlenging restschuldregeling

In 2013 stond 36% van de koophuizen in Nederland onder water. Dat wil zeggen dat de hypotheekschuld hoger was dan de waarde van de woning op dat moment. Eind 2016 was dit afgenomen tot bijna 18%. De verwachting is dat dit percentage zal dalen als gevolg van stijgende huizenprijzen en van maatregelen die zijn genomen op de woningmarkt. Ook de omvang van restschulden zal dalen.

Een van de maatregelen, die destijds is getroffen ter bestrijding van de gevolgen van de financiële crisis, is de restschuldregeling. Deze maatregel loopt op 31 december 2017 af. De restschuldregeling houdt in dat de rente over de na verkoop van een eigen woning resterende schuld in aftrek kan worden gebracht gedurende maximaal 15 jaar. De regeling had verbetering van de doorstroming op de woningmarkt als doel.

De staatssecretaris van Financiën verwacht dat het aantal huizen dat onder water staat eind 2017 weer op het niveau van voor de crisis zal zijn. Daarom is hij niet van plan om de restschuldregeling te verlengen.

Vervolgonderzoek aanpassing heffing in box 3

Vervolgonderzoek aanpassing heffing in box 3

De staatssecretaris van Financiën heeft een vervolgonderzoek uit laten voeren naar de mogelijkheden voor belastingheffing in box 3 op basis van het werkelijk behaalde rendement. In het vervolgonderzoek is ook gekeken naar mogelijke aanpassingen om binnen het huidige forfaitaire systeem te komen tot een heffing die beter aansluit bij de werkelijk behaalde rendementen. Het rapport van dit nadere onderzoek is nu aan de Tweede Kamer aangeboden.

Belangrijkste conclusie onderzoek
De belangrijkste conclusie van het vervolgonderzoek is dat de in het eerdere rapport beschreven varianten voor burgers, financiële instellingen en de Belastingdienst qua uitvoering structureel problematisch zijn. Deze varianten zijn een vermogensaanwasbelasting, een vermogenswinstbelasting en een forfaitaire heffing over de individuele vermogensmix. Een vermogensaanwasbelasting en een vermogenswinstbelasting sluiten voor inkomen uit spaartegoeden en beleggingsproducten aan bij de werkelijke rendementen. Het verschil tussen beide varianten is het moment waarop belasting wordt geheven. Bij een vermogensaanwasbelasting worden de vermogensmutaties jaarlijks in de heffing betrokken. Bij een vermogenswinstbelasting worden de vermogensmutaties belast op het moment van realisatie. Langdurig uitstel van belastingheffing is in deze laatste optie mogelijk. Dat kan leiden tot sterk wisselende belastingopbrengsten. Een vermogensaanwasbelasting voorkomt uitstel van belastingheffing, maar leidt tot wisselende belastinginkomsten, doordat waardemutaties direct doorwerken in de heffing.

Haalbare variant
De meest haalbare variant lijkt een aangepaste versie van de huidige forfaitaire regeling. Aanpassingen van rendementspercentages, de gewichten van sparen en beleggen in de vermogensmix per vermogensschijf, de lengte van de vermogensschijven, het heffingvrije vermogen en het proportionele tarief zijn relatief eenvoudig aan te brengen. Op die manier wordt beter aangesloten bij het werkelijke rendement. Dergelijke wijzigingen kunnen op korte termijn worden doorgevoerd. Kleine spaarders kunnen worden ontzien door:

  • het heffingvrije vermogen te verhogen;
  • het forfaitair rendement sneller te laten aansluiten op de actuele rendementen;
  • in de eerste vermogensschijf alleen het spaarrendement in aanmerking te nemen.

Het aanpassen binnen het huidige systeem zou door opname in het Belastingplan 2018 per 1 januari 2018 al kunnen gebeuren.

Kabinetsreactie
De staatssecretaris onthoudt zich van inhoudelijk commentaar op het rapport. De keuze voor een heffing in box 3, die beter aansluit bij de werkelijk behaalde rendementen, moet door een nieuw kabinet gemaakt worden.