Civiel recht

Nieuwsbrief oktober 2018

Hierbij leest u onze nieuwsbrief van oktober 2018: Nieuwsbrief oktober 2018

In deze nieuwsbrief kunt u o.a. lezen over:

  • Prinsjesdag 2018, voor meer informatie over de Belastingplannen 2019 verwijzen wij u naar onze website.
  • (afschaffing) dividendbelasting
  • Bewijs van beperkt privégebruik

Wij wensen u veel leesplezier!

Kamerbrief evaluatie verevening pensioenrechten bij scheiding

Kamerbrief evaluatie verevening pensioenrechten bij scheiding

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de tweede evaluatie van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps) naar de Tweede Kamer gestuurd. Naar aanleiding van de evaluatie kondigt de minister aan dat hij in de loop van volgend jaar een wetsvoorstel zal indienen om de Wvps en de Pensioenwet op een aantal punten te wijzigen.

Voorgestelde wijzigingen
De huidige standaardmethode van verevening wordt vervangen door conversie. De ex-partners verkrijgen door conversie een zelfstandig recht op het hen toekomende deel van het ouderdomspensioen van de ander. De standaard voor het uitbetalen via de pensioenuitvoerder wordt aangepast van “nee, tenzij u een formulier toestuurt” in “ja, tenzij u aangeeft dat u het pensioen niet of anders wilt verdelen”. In verband met de aanpassing van het wettelijk stelsel van de gemeenschap van goederen per 1 januari 2018 wordt de periode waarover het bijzonder partnerpensioen wordt toegekend verkort tot de huwelijkse periode. Op dat punt moet de Pensioenwet worden gewijzigd. De werkingssfeer van de Wvps wordt overigens niet uitgebreid tot ongehuwd samenwonenden.

De Wvps
De Wvps heeft alleen betrekking op gehuwden en geregistreerde partners, niet op ongehuwd samenwonenden. Op grond van de Wvps hebben partners bij een scheiding ieder recht op de helft van het ouderdomspensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd. Standaard komt door verevening vanaf de pensioeningangsdatum een deel van het ouderdomspensioen ten goede aan de ex-partner. De pensioenuitvoerder regelt de uitbetaling als de ex-partners binnen twee jaar na de scheiding een verzoek daartoe hebben doorgeven. Gebeurt dat niet of te laat, dan zullen de ex-partners te zijner tijd zelf uitbetaling moeten claimen bij de ander. Ex-partners kunnen afwijkende afspraken maken over het pensioen. Een van de mogelijkheden is de omzetting op het moment van scheiding van het deel van het ouderdomspensioen van de andere partner in een zelfstandige aanspraak (conversie).

Zonder notaris trouwen in algehele gemeenschap van goederen

Zonder notaris trouwen in algehele gemeenschap van goederen

Tot 1 januari 2018 was het uitgangspunt van het huwelijksgoederenregime de algehele gemeenschap van goederen. Wie daarvan wilde afwijken moest naar de notaris om huwelijkse voorwaarden op te laten stellen. Voor mensen, die na 1 januari 2018 in het huwelijk treden, geldt zonder nadere regeling een beperkte gemeenschap van goederen. Willen mensen in algehele gemeenschap van goederen trouwen, dan moeten zij naar de notaris voor het opmaken van huwelijkse voorwaarden.

De minister van Rechtsbescherming komt nu met een wetsvoorstel waarin wordt geregeld dat mensen die in algehele gemeenschap van goederen willen trouwen niet naar de notaris hoeven. In plaats daarvan kunnen zij volstaan met een verklaring, die zij uiterlijk één werkdag voor de huwelijksvoltrekking bij de ambtenaar van de burgerlijke stand moeten indienen. De ambtenaar van de burgerlijke stand draagt op verzoek van het echtpaar zorg voor registratie in het huwelijksgoederenregister van de verklaring. Dat doet hij door de verklaring door te sturen naar de griffie van de rechtbank. Omdat het geregistreerd partnerschap wettelijk gelijk wordt behandeld als het huwelijk, geldt dit wetsvoorstel ook voor de registratie van een partnerschap.

De minister heeft het wetsvoorstel ter consultatie gepubliceerd. Wie dat wil kan daar tot 8 april op reageren.

Nieuw modelkoopcontract woningen

Nieuw modelkoopcontract woningen

De minister van Binnenlandse Zaken heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over een nieuwe versie van het modelkoopcontract voor woningen. Het nieuwe modelkoopcontract bevat zowel het voorbehoud van financiering als het voorbehoud van de bouwkundige keuring. De risico’s die consumenten lopen worden hiermee verkleind. In de definitieve overeenkomst moet expliciet worden aangegeven waar is afgeweken van het modelkoopcontract. Het afzien van het voorbehoud van financiering of bouwkundige keuring wordt dan door middel van een doorhaling zichtbaar. In de toelichting bij de nieuwe modelkoopovereenkomst wordt expliciet gewezen op de risico’s van het afwijken van de voorbehouden van financiering en bouwkundige keuring. Ook dit moet helpen om de risico’s die consumenten lopen te verkleinen.

De minister ziet de nieuwe modelovereenkomst en de toelichting daarop als een belangrijke stap om de consument in de krappe woningmarkt beter te beschermen. In dat kader heeft het gebrek aan transparantie van makelaarstarieven de aandacht van de minister. In juli 2017 heeft de voorganger van de minister een vervolgonderzoek naar het afzien van voorbehouden aangekondigd. De minister verwacht voor de zomer de Tweede Kamer te kunnen informeren over de uitkomsten van het onderzoek.

Wetsvoorstel waardeoverdracht kleine pensioenen

Wetsvoorstel waardeoverdracht kleine pensioenen

Bij de Tweede Kamer is een wetsvoorstel betreffende de waardeoverdracht van kleine pensioenen in behandeling. Tijdens de behandeling daarvan heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toegezegd een brief aan de Kamer te sturen over een aantal onderwerpen.

Heel klein pensioen
Een onderdeel van het wetsvoorstel is het laten vervallen van heel kleine pensioenaanspraken. Het gaat dan om uitkeringen van minder dan € 2 bruto per jaar. Maar weinig mensen met een dergelijke pensioenaanspraak maken gebruik van het recht op waardeoverdracht. Twee jaar na einde van de deelneming aan een pensioenregeling kan de pensioenuitvoerder een heel klein pensioen afkopen. Deelnemers reageren vaak niet op afkoopbrieven van het pensioenfonds, waardoor een poging tot afkoop niet slaagt. De kosten van het aanhouden van heel kleine pensioenaanspraken zijn onevenredig hoog. De Kamer heeft de minister gevraagd om een laatste poging te doen om het heel kleine pensioen bij de betreffende mensen te krijgen. De minister stelt nu voor om:

  1. Het onderdeel “heel klein pensioen” van het wetsvoorstel pas op 1 januari 2019 in werking te laten treden.
  2. Pensioenuitvoerders krijgen daardoor voldoende tijd voor een eenmalige “opschoonactie”. 
  3. In de periode tot 1 januari 2019 kunnen deelnemers gebruikmaken van de mogelijkheid van individuele waardeoverdracht en pensioenuitvoerders van het recht op afkoop. De deelnemers kunnen hierop gewezen worden door de Rijksoverheid en de pensioenuitvoerders.
  4. Pensioenuitvoerders kunnen op termijn ook voor bestaande heel kleine pensioenen eenmalig een poging tot automatische waardeoverdracht doen alvorens deze aanspraken te laten vervallen.

Wet tegen onredelijk lange betaaltermijnen

Wet tegen onredelijk lange betaaltermijnen

De wet, die het hanteren van onredelijk lange betaaltermijnen tegengaat, is op 26 april jl. in het Staatsblad geplaatst. De wet wil voorkomen dat grote ondernemingen onredelijk lange betaaltermijnen afdwingen van zelfstandige ondernemers en kleine of middelgrote ondernemingen. Daarom schrijft de wet voor grote ondernemingen een uiterste betaaltermijn van 60 dagen voor. Een hiervan afwijkende betaaltermijn in een overeenkomst is een nietige bepaling. Voor bestaande overeenkomsten geldt een overgangstermijn van één jaar na de datum van inwerkingtreding.

Grote onderneming
Het Burgerlijk Wetboek omvat in boek 2 een indeling van ondernemingen naar grootte. Een onderneming kwalificeert volgens deze omschrijving als groot, wanneer aan twee van de volgende drie criteria is voldaan.

  1. de waarde van de activa volgens de balans bedraagt meer dan € 20 miljoen;
  2. de netto omzet over het boekjaar bedraagt meer dan € 40 miljoen;
  3. het gemiddeld aantal werknemers over het boekjaar bedraagt 250 of meer.

Sanctie
De sanctie, die bij te late betaling van toepassing is, bestaat uit de wettelijke rente over het openstaande bedrag. De wettelijke rente is verschuldigd met ingang van de dag na het verstrijken van de betaaltermijn tot en met de dag van betaling.

Inwerkingtreding
De wet treedt op 1 juli 2017 in werking.

Nieuwsbrief april 2017

De nieuwsbrief van april 2017 staat online, wij verwijzen u graag naar de bijlage: 2017-04 nieuwsbrief Drechtsteden Accountants en Adviseurs

In deze nieuwsbrief kunt u o.a. lezen over:

  • einde pensioen in eigen beheer
  • gebruik camerabeelden door de Belastingdienst
  • overbruggingsregeling transitievergoeding

Wij wensen u veel leesplezier en alvast hele fijne paasdagen.

 

Voorstel aanpassing Wet werk en zekerheid

Voorstel aanpassing Wet werk en zekerheid

De werkgever moet een transitievergoeding betalen aan een werknemer als diens arbeidsovereenkomst na twee jaar of langer wordt beëindigd of niet wordt voortgezet op initiatief van de werkgever. Dat geldt ook als de werknemer door ziekte of gebreken zijn werk niet meer kan verrichten en herplaatsing niet mogelijk is. Het moeten betalen van een transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid wordt door werkgevers als onrechtvaardig ervaren.

Nu wordt voorgesteld om werkgevers in die gevallen te compenseren voor de betaalde transitievergoeding. De compensatie wordt door het UWV betaald uit het Algemeen werkloosheidsfonds. De premie voor dit fonds wordt in dat kader verhoogd. De regering wil deze maatregel met terugwerkende kracht tot 1 juli 2015 invoeren. De regeling geldt zowel bij het niet verlengen van tijdelijke arbeidsovereenkomsten wanneer de werknemer bij het einde van de arbeidsovereenkomst ziek is, als bij arbeidsovereenkomsten die wegens het niet langer kunnen verrichten van de bedongen arbeid worden opgezegd of ontbonden.

Ook bij ontslag om bedrijfseconomische redenen of bij bedrijfsbeëindiging is de werkgever verplicht om een transitievergoeding te betalen. In de cao kunnen voorzieningen worden geregeld die in de plaats komen van de transitievergoeding. De gekapitaliseerde waarde van deze voorzieningen moet gelijkwaardig zijn aan het bedrag van de transitievergoeding voor een individuele werknemer. Dat kan een belemmering zijn om bij ontslagen om bedrijfseconomische redenen collectieve afspraken te maken. Voorgesteld wordt dat de gekapitaliseerde waarde van de voorzieningen niet langer gelijkwaardig hoeft te zijn aan de transitievergoeding waar de werknemer recht op zou hebben gehad. Voldoende is dat de werknemer bij ontslag om bedrijfseconomische redenen op grond van de cao recht heeft op voorzieningen die bestaan uit maatregelen om werkloosheid te voorkomen of in duur te beperken of als de cao voorziet in een redelijke financiële vergoeding.

Als volgens de cao uitsluitend recht bestaat op een financiële vergoeding moet deze gelijk zijn aan de wettelijke transitievergoeding. Een lagere financiële vergoeding is redelijk als het omwille van de continuïteit van een bedrijf of van bedrijven in een sector niet verantwoord is om vergoedingen van het niveau van de transitievergoeding te verstrekken of als cao-partijen een deel van de beschikbare middelen gebruiken voor andere voorzieningen, zoals een mobiliteitscentrum of scholingstrajecten voor werknemers. Een van de transitievergoeding afwijkende cao-regeling kan alleen betrekking hebben op ontslag wegens bedrijfseconomische redenen.

Beperking wettelijke gemeenschap van goederen

Beperking wettelijke gemeenschap van goederen

De Eerste Kamer heeft een wetsvoorstel, dat de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen beperkt, aangenomen. De (volledige) gemeenschap van goederen is het huwelijksgoederenregime dat volgens de wet tot nu toe geldt wanneer echtgenoten geen afwijkende regeling hebben getroffen. Afwijking van de gemeenschap van goederen kan door het opstellen van huwelijksvoorwaarden.

Overnamerecht
Het nu aangenomen wetsvoorstel bevat een recht op overname van een gemeenschappelijk goed door een echtgenoot voor het geval een privéschuldeiser van de andere echtgenoot zich op dat goed wil verhalen. Bij de uitoefening van dat recht moet de echtgenoot de helft van de waarde van het goed vergoeden aan de gemeenschap, waarna het goed een privégoed is geworden. Financieren van de overname kan met privé spaargeld, maar ook met een privélening.

Bewijsvermoeden
Bij de afwikkeling van een huwelijksgoederengemeenschap geldt een bewijsvermoeden. Op grond daarvan wordt een goed als een gemeenschapsgoed aangemerkt als geen van de echtgenoten kan aantonen dat het goed tot zijn privévermogen behoort.

Verrekening
Het wetsvoorstel houdt geen finaal verrekenstelsel in. Een finaal verrekenbeding houdt in dat bij het einde van het huwelijk het vermogen wordt verdeeld alsof er een volledige gemeenschap van goederen was geweest. Wanneer echtgenoten dat willen, moeten zij dat regelen in huwelijkse voorwaarden.

Fiscale aspecten
Het aangenomen wetsvoorstel heeft geen nieuwe fiscale gevolgen. Bij de behandeling van het Belastingplan 2017 in de Tweede Kamer is de staatssecretaris van Financiën gevraagd om een reactie op een aantal specifieke voorbeelden die betrekking hebben op de eigenwoningregeling. De staatssecretaris heeft toegezegd zo snel mogelijk te reageren nadat duidelijk is wanneer het wetsvoorstel in werking zal treden. De staatssecretaris zal in zijn reactie ook ingaan op de fiscale consequenties van het vergoedingsrecht.

De fiscale gevolgen bij het overlijden van de partner zijn voor de langstlevende afhankelijk van het gekozen huwelijksgoederenregime. Dat verandert niet door dit wetsvoorstel. Het gekozen regime kan tijdens het huwelijk worden aangepast door het opstellen van huwelijkse voorwaarden.

Leidraad vergoeding vervroegde aflossing hypotheken

Wie vanwege de huidige lage rentestand zijn hypotheek vervroegd aflost of wil omzetten, wordt geconfronteerd met de berekening van boeterente door de bank. De wijze van berekening van het bedrag aan boeterente is vaak onduidelijk. De bank deelt de uitkomst van de berekening mee aan de klant, maar de berekening is niet te controleren. Daar is door een Europese richtlijn verandering in gekomen.

Op 14 juli 2016 is de Europese hypothekenrichtlijn in Nederland van kracht geworden. Deze richtlijn bevat voorschriften over de kosten die banken in rekening mogen brengen bij vervroegde aflossing van hypotheken. Volgens de richtlijn mogen banken niet meer kosten in rekening brengen dan het daadwerkelijke financiële nadeel dat zij lijden door de vervroegde aflossing.

In de Tweede Kamer zijn vragen gesteld over de berekening van het nadeel c.q. van de kosten die banken in rekening brengen. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft naar aanleiding van deze vragen onderzocht of de praktijk aansluit bij de aangescherpte regels van de richtlijn. Vervolgens heeft de AFM een leidraad opgesteld waarin wordt uitgelegd hoe het financiële nadeel bij vervroegde aflossing op een adequate wijze kan worden berekend. De leidraad heeft vier uitgangspunten.

  1. De vergoeding voor vervroegde aflossing wordt berekend over het bedrag van de vervroegde aflossing verminderd met het bedrag dat de klant contractueel vergoedingsvrij mag aflossen.
  2. De vergoeding wordt berekend aan de hand van een vergelijkingsrente. Dat is de rente die de bank aanbiedt voor een hypotheek met een looptijd die vergelijkbaar is met de resterende rentevastperiode. Als de bank geen vergelijkbare looptijd aanbiedt, kiest zij de hoogste naastgelegen rente.
  3. De vergoeding voor vervroegde aflossing mag niet hoger uitvallen door een inconsistente toepassing van de loan to value (LTV) verhouding bij het vaststellen van de vergelijkingsrente.
  4. De afgesproken toekomstige aflossingen van de klant worden meegenomen in de berekening van de vergoeding.

Deze wijze van berekenen van boeterente geldt niet voor vervroegde aflossingen die voor 14 juli 2016 hebben plaatsgevonden. Wie na die datum vervroegd heeft afgelost doet er goed aan de bank te vragen of het in rekening gebrachte bedrag aan boeterente in overeenstemming is met de leidraad van de AFM.