Archief van september 2017

Basecone Spenser App

Geachte relatie,

Per 2 november a.s. verdwijnt de Basecone Scanner App. Deze app kan dan niet meer geraadpleegd en-/ of geopend worden.

Basecone heeft hiervoor een nieuwe app ontwikkeld, de Basecone Spenser App. Gebruikt u de oude Basecone Scanner App nog, stap dan tijdig over.

De nieuwe Basecone Spenser App kent een aantal nieuwe functies en wijzigingen, die wij in een memo hebben samengevat, u kunt de memo hier lezen: Memo DAA inzake Basecone Spenser app

Geen step-up aanmerkelijk belang bij remigratie

Geen step-up aanmerkelijk belang bij remigratie

De meeropbrengst van aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoren is belast met inkomstenbelasting. De meeropbrengst is het verschil tussen de verkoopopbrengst en de verkrijgingsprijs van de aandelen. De verkrijgingsprijs is de bij de verkrijging betaalde tegenprestatie, vermeerderd met de kosten die voor rekening van de verkrijger zijn gekomen.

Voor een immigrant met een aanmerkelijk belang geldt een afwijkende verkrijgingsprijs. Deze afwijkende verkrijgingsprijs wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer op het tijdstip van immigratie. Deze afwijkende regeling geldt echter niet voor een immigrant die eerder uit Nederland is geëmigreerd. De Nederlandse wettelijke regeling is bedoeld om de verkrijgingsprijs van aanmerkelijkbelangaandelen zodanig vast te stellen dat Nederland in beginsel belasting heft over de waardeaangroei van die aandelen die is ontstaan in een periode van Nederlandse belastingplicht. Dat kan binnenlandse maar ook buitenlandse belastingplicht zijn.

Een uit Nederland geëmigreerde inwoner van België verkreeg 50% van de aandelen in een in Nederland gevestigde bv. Tijdens zijn verblijf in België was de aandeelhouder buitenlands belastingplichtig ter zake van de aandelen. Bij zijn remigratie naar Nederland werd de verkrijgingsprijs van zijn aandelen vastgesteld volgens de hoofdregel en niet vermeerderd met de waardeaangroei die was opgetreden tijdens zijn verblijf in België. Volgens de Hoge Raad is niet van belang dat Nederland op grond van de tekst van het verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing met België geen belasting had kunnen heffen wanneer de aandeelhouder zijn aandelen had verkocht in de periode dat hij in België woonde.

De Hoge Raad merkt nog op dat de procedure betrekking heeft op een door de inspecteur gegeven beschikking waarin de verkrijgingsprijs van de aandelen is vastgesteld. Met betrekking tot de aandelen heeft zich geen belastbaar feit voorgedaan. Wanneer de aandelen worden verkocht na de immigratie is de volledige waardeaangroei van de aandelen belast. Volgens de Hoge Raad is dat niet in strijd met het belastingverdrag met België.

Uitoefening optierecht na vertrek uit Nederland

Uitoefening optierecht na vertrek uit Nederland

Voor uit het buitenland afkomstige werknemers met bijzondere expertise kan op verzoek de 30%-regeling in de loonbelasting worden toegepast. Bij toepassing van deze regeling wordt 30% van de totale bruto beloning aangemerkt als een onbelaste vergoeding voor de extra kosten van huisvesting buiten het land van herkomst. De vraag in een procedure was of de 30%-regeling ook mocht worden toegepast op aan een werknemer toegekende aandelenoptierechten. De opties werden uitgeoefend nadat de werknemer uit Nederland was vertrokken.

De werknemer werd door een buitenlandse moedermaatschappij uitgezonden naar een Nederlandse dochtervennootschap. De opties waren door de moedermaatschappij voorwaardelijk verstrekt. Ieder jaar werd 25% percent van de toegekende opties onvoorwaardelijk. De eerste tranche werd onvoorwaardelijk in het jaar na toekenning. Gedurende de werkzame periode in Nederland werden enkele tranches van de opties onvoorwaardelijk. De opties werden uitgeoefend na vertrek uit Nederland.
Volgens de rechtbank was het bij uitoefening van de optierechten genoten voordeel aan te merken als opbrengst van arbeid in een in eerdere jaren in Nederland uitgeoefende dienstbetrekking. De 30%-regeling was op dat voordeel niet meer van toepassing omdat deze regeling was geëindigd op de laatste dag van het loontijdvak na het einde van de periode waarin de werknemer in Nederland heeft gewerkt.

De Hoge Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Volgens de Hoge Raad is het niet van belang of wellicht een eerder genietingsmoment dan het moment van uitoefening van een aandelenoptierecht kan worden vastgesteld. De waarde van een optierecht wordt niet tot het loon gerekend. In plaats daarvan wordt de bij uitoefening van het optierecht genoten opbrengst als loon belast. De rechtbank heeft het heffingsmoment correct vastgesteld. De 30%-regeling is niet van toepassing. De opvatting van de werkmaatschappij dat deze regeling wel op het optievoordeel moet worden toegepast omdat de tewerkstelling van de werknemer bij het concern doorliep na afloop van de uitzendperiode naar Nederland, is niet juist. Bepalend voor de toepassing van de 30%-regeling is de tewerkstelling in Nederland.

Berekening invorderingsrente

Berekening invorderingsrente

In de Invorderingswet 1990 is bepaald dat bij te late betaling van een belastingaanslag invorderingsrente in rekening wordt gebracht.

In een procedure voor de rechtbank meende de belanghebbende dat hij geen invorderingsrente hoefde te betalen omdat het rentebedrag was opgelopen door de lange duur van de behandeling van zijn bezwaar en beroep tegen de aanslag. De rechtbank stelde vast dat de betalingstermijn was verstreken terwijl slechts een deel van de aanslag was betaald. Vanaf het moment waarop de betalingstermijn was verstreken was de belanghebbende invorderingsrente verschuldigd. De belanghebbende had invorderingsrente kunnen voorkomen door tijdig te betalen, ook al was hij het niet eens met de aanslag. In dit geval koos de belanghebbende voor uitstel van betaling. Deze keuze komt voor zijn rekening. De rechtbank maakt duidelijk dat de keuze voor uitstel van betaling losstaat van de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de aanslag.

Stakingswinst ondernemer

Stakingswinst ondernemer

Volgens de Wet IB 2001 is winst uit onderneming het bedrag van de voordelen die worden verkregen uit een onderneming. Onder onderneming moet in dit verband ook het zelfstandig uitgeoefende beroep worden begrepen.

In het kader van de beëindiging van de werkzaamheden van een vrijgevestigde medisch specialist werd aan hem een vergoeding betaald van € 750.000. Dat bedrag bestond voor € 184.000 uit goodwill. De specialist meende dat het restant ad € 566.000 geen winst uit onderneming vormde. De rechtbank stelde vast dat de specialist in de uitoefening van zijn onderneming overeenkomsten met het ziekenhuis was aangegaan. Daarom maakte de vergoeding ter beëindiging van de overeenkomsten deel uit van de winst uit onderneming. Van een onbelaste schadevergoeding was geen sprake.

De medisch specialist had de vergoeding op een bankrekening van een door hem opgerichte bv laten overmaken. Volgens de specialist had hij met de bv een lijfrenteovereenkomst gesloten. De daarvoor betaalde premie meende hij als uitgave voor inkomensvoorzieningen in aftrek op zijn inkomen te mogen brengen. Een ondernemer kan bij staking van zijn onderneming de behaalde stakingswinst omzetten in een lijfrente tot een bepaald maximum. Voorwaarde is dat hij de lijfrente bedingt bij een professionele verzekeringsmaatschappij of bij een bv in het kader van de overdracht van de onderneming aan die bv. In dit geval was de lijfrente niet bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van een onderneming aan de bv. Om die reden was het niet mogelijk om de aan de bv overgemaakte vergoeding in aftrek op het inkomen te brengen.

Verlaging EIA met 0,5% per 2018

Verlaging EIA met 0,5% per 2018

De energie-investeringsaftrek (EIA) gaat per 1 januari 2018 met 0,5% omlaag. Dat is een gevolg van een bij de behandeling van het Belastingplan 2017 aangenomen amendement, waarvoor deze verlaging als dekking dinet. De verlaging is destijds niet verwerkt in het amendement. Dat wordt nu hersteld.

Maatregelen loonbelasting

Maatregelen loonbelasting

Niet-uitvoerende bestuurders
Bestuurders van een beursgenoteerde vennootschap zijn fictief in dienstbetrekking werkzaam bij de vennootschap. De fictieve dienstbetrekking voor commissarissen is vervallen, aanvankelijk op basis van een besluit, en met ingang van 1 januari 2017 op basis van de wet. Nu wordt voorgesteld ook de fictieve dienstbetrekking voor niet-uitvoerende bestuurders van een beursgenoteerde vennootschap af te schaffen. Daardoor ontstaat een gelijke behandeling van commissarissen en niet-uitvoerende bestuurders. Een uitvoerende bestuurder blijft onder de loonbelasting vallen, ongeacht of hij bestuurder is van een beursgenoteerde of een niet beursgenoteerde vennootschap. Wie uitvoerend of niet-uitvoerend bestuurder is, blijkt uit het Handelsregister.

Alleenstaande ouderenkorting in de loonheffing
De alleenstaande ouderenkorting kan bij de inhouding van loonheffing alleen worden toegepast indien de alleenstaande oudere op zijn AOW-uitkering de standaardloonheffingskorting toepast. Nu wordt voorgesteld dat de Sociale Verzekeringsbank de alleenstaande ouderenkorting mag toepassen op de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen bij alleenstaande ouderen die geen AOW-uitkering ontvangen. Deze maatregel verkleint het aantal alleenstaande ouderen dat aangifte inkomstenbelasting moet doen om de korting te gelde te maken.

Pseudo-eindheffing over excessieve vertrekvergoedingen
Of een vertrekvergoeding bij einde dienstbetrekking excessief is wordt vastgesteld aan de hand van een rekenregel. Bepaalde onvoorwaardelijke aandelenoptierechten, die enkele jaren voor het jaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd zijn verstrekt aan de vertrekkende werknemer, tellen niet mee in deze rekenregel. De Hoge Raad heeft gezegd dat dit ook geldt voor aandelenoptierechten die nog niet onvoorwaardelijk waren. De pseudo-eindheffing over excessieve vertrekvergoedingen kan door dat arrest worden beperkt of voorkomen door constructies met voorwaardelijke aandelenoptierechten. Om dat te voorkomen wordt de regeling aangepast.

Beperking toepassing heffingskortingen buitenlandse belastingplichtigen
Heffingskortingen bestaan uit een premiedeel en een belastingdeel. Sinds 2015 zijn buitenlandse belastingplichtigen te onderscheiden in kwalificerende en niet kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen. Kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen hebben in de inkomstenbelasting recht op dezelfde fiscale voordelen als binnenlandse belastingplichtigen, waaronder het belastingdeel van alle heffingskortingen. Niet-kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen uit landen binnen de EU of de EER hebben in de inkomstenbelasting enkel recht op het belastingdeel van aan arbeid gekoppelde heffingskortingen. Niet-kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen uit derde landen hebben in de inkomstenbelasting voor geen van de heffingskortingen recht op het belastingdeel.

Het kabinet stelt voor om vanaf 2019 in de loonbelasting voor alle buitenlandse belastingplichtigen alleen nog maar het belastingdeel van de heffingskortingen toe te laten passen waarop niet kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen uit het betreffende land in de inkomstenbelasting recht hebben. Op grond van de voorgestelde maatregel wordt bij buitenlandse belastingplichtigen uit een land binnen de EU of de EER vanaf 2019 in de loonbelasting alleen van de arbeidskorting het belastingdeel toegepast. Bij buitenlandse belastingplichtigen uit derde landen wordt van geen enkele heffingskorting het belastingdeel toegepast. Bij de voorgestelde wijziging wordt geen onderscheid gemaakt tussen kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen en niet-kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen.

Afschaffing landbouwregeling

Afschaffing landbouwregeling

De huidige landbouwregeling in de omzetbelasting houdt landbouwers, veehouders, tuinbouwers en bosbouwers buiten de heffing van btw. Zij hoeven geen btw-administratie bij te houden. Omdat de landbouwer geen btw is verschuldigd over zijn leveringen en diensten, kan hij de aan hem in rekening gebrachte btw niet terugvragen. Om cumulatie van omzetbelasting in de bedrijfskolom te voorkomen heeft de afnemer van een landbouwer recht op een forfaitaire aftrek van voorbelasting. Dit forfait bedraagt 5,4% van de verkoopprijs die de landbouwer in rekening heeft gebracht. Toepassing van de landbouwregeling is niet verplicht, want landbouwers hebben de keuze om te opteren voor de gebruikelijke wijze van btw-heffing. Bedrijven die regelmatig investeren maken in de praktijk meestal geen gebruik van de landbouwregeling omdat de aftrek van voorbelasting aantrekkelijker is.
In de Miljoenennota van vorig jaar is de afschaffing van de landbouwregeling aangekondigd. Nu is het zo ver en ligt er een wetsvoorstel ter afschaffing van de regeling per 1 januari 2018. Dit heeft tot gevolg dat landbouwers vanaf 1 januari 2018 over hun prestaties btw moeten voldoen en btw over de aan hen verrichte prestaties kunnen terugvragen.

Overgangsrecht
Voor landbouwers die tot 1 januari 2018 gebruik maken van de landbouwregeling, is voorzien in overgangsrecht. Dat maakt mogelijk dat deze landbouwers alsnog in aanmerking komen voor de eerder niet genoten aftrek van voorbelasting op investeringsgoederen die vóór 1 januari 2018 in gebruik zijn genomen en op goederen en diensten, die op 1 januari 2018 nog niet in gebruik zijn genomen. Voor investeringsgoederen die voor 1 januari 2018 in gebruik zijn genomen geldt, in afwijking van de bestaande herzieningsregels, dat herziening van de aftrek van voorbelasting niet gespreid over de jaren maar in één keer plaatsvindt voor de resterende herzieningsperiode. Dat gebeurt in de aangifte over het eerste belastingtijdvak van 2018.
De aftrek van voorbelasting op goederen en diensten die vóór 1 januari 2018 zijn aangeschaft, maar na 1 januari 2018 in gebruik worden genomen, vindt plaats in de aangifte over het eerste belastingtijdvak van 2018 overeenkomstig de gewijzigde bestemming van deze goederen en diensten.

In het kader van de afschaffing van de landbouwregeling wordt het beleidsbesluit “Omzetbelasting Landbouw” met ingang van 1 januari 2018 ingetrokken.

Aansprakelijkheid pand- en hypotheekhouders

Aansprakelijkheid pand- en hypotheekhouders

In de Invorderingswet komt een bepaling die de aansprakelijkheid invoert voor pand- en hypotheekhouders en executanten. De aansprakelijkheid betreft de omzetbelasting die verschuldigd is bij de levering van een verpande of verhypothekeerde zaak of van een zaak waarop beslag is gelegd. Door de invoering van de aansprakelijkheid worden deze leveringen materieel hetzelfde behandeld als leveringen die onder de verleggingsregeling in de omzetbelasting vallen. De aansprakelijkheid moet voorkomen dat de Belastingdienst achterblijft met een onverhaalbare omzetbelastingschuld op de ondernemer wiens zaak wordt geleverd.

Pand- of hypotheekhouders mogen zowel binnen als buiten faillissement de zaak namens de schuldenaar verkopen. Executanten kunnen een zaak door een gerechtsdeurwaarder laten verkopen en zich op de opbrengst verhalen. De opbrengst boeken zij af op de openstaande vordering. De opbrengst van een verkochte zaak omvat ook de omzetbelasting. Toepassing van de verleggingsregeling in de omzetbelasting biedt niet in alle gevallen een oplossing. Zo kan de verleggingsregeling niet worden toegepast bij leveringen aan niet-ondernemers of bij leveringen van roerende zaken op grond van een executoriale titel. De invoering van de nieuwe aansprakelijkheid voor pand- en hypotheekhouders en executanten moet dat probleem ondervangen. De aansprakelijkheid neemt de plicht om de omzetbelasting te betalen niet weg van de ondernemer wiens zaken worden geleverd. Pas wanner hij niet betaalt mag de Belastingdienst de pand- of hypotheekhouder of executant aansprakelijk stellen voor het bedrag aan niet-betaalde omzetbelasting.

Definitie geneesmiddelen

Definitie geneesmiddelen

Het verlaagde tarief in de btw is van toepassing op geneesmiddelen. Door een arrest van de Hoge Raad is duidelijk geworden dat de wettekst te ruim is. Volgens het arrest vallen ook fluoride tandpasta en zonnebrandcrème onder het lage tarief. Dat is niet de bedoeling. Daarom wordt de definitie van geneesmiddel voor de btw aangepast. Het lage tarief geldt dan alleen nog voor producten, die na goedkeuring van de bevoegde autoriteiten als geneesmiddel in de handel mogen worden gebracht. Bepalend is of een handelsvergunning is afgegeven.

In de Memorie van Toelichting wordt ingegaan op de vraag of geneesmiddelen met een handelsvergunning en producten zonder handelsvergunning soortgelijke producten zijn. Dat zou ertoe leiden dat zij vanwege het beginsel van fiscale neutraliteit voor de btw gelijk behandeld zouden moeten worden. Het kabinet denkt dat het hebben van een handelsvergunning en de bewezen werking van middelen met een handelsvergunning voldoende onderscheidend zijn om een verschil in toepassing van het btw-tarief te rechtvaardigen.