Archief van augustus 2017

Aansprakelijkheid bestuurder stichting

Aansprakelijkheid bestuurder stichting

Iedere bestuurder van een rechtspersoon is hoofdelijk aansprakelijk voor de loonheffing die de rechtspersoon verschuldigd is. De aansprakelijkheid geldt niet alleen voor bestuurders van een nv of een bv, maar ook voor bestuurders van een stichting of van een vereniging met rechtspersoonlijkheid. De rechtspersoon moet, zodra duidelijk is dat de loonbelasting niet betaald kan worden, daarvan mededeling doen aan de ontvanger. Als de melding van de betalingsonmacht tijdig is gedaan, is een bestuurder alleen aansprakelijk als het niet betalen van de belasting het gevolg is van kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Is door of namens de rechtspersoon geen melding van de betalingsonmacht gedaan of is de melding te laat gedaan, dan is iedere bestuurder aansprakelijk en wordt verondersteld dat de niet betaling te wijten is aan zijn kennelijk onbehoorlijk bestuur. Alleen de bestuurder die aannemelijk weet te maken dat het niet aan hem is te wijten dat de melding van de betalingsonmacht niet of te laat is gedaan, krijgt de mogelijkheid om de veronderstelling te weerleggen.

De bestuurder van een stichting, die geen melding van betalingsonmacht had gedaan, slaagde er niet in aannemelijk te maken dat het niet melden niet aan hem te wijten was. Als bestuurder had hij zich op de hoogte moeten (laten) stellen van het reilen en zeilen van de stichting en van de financiële positie van de stichting. De bestuurder heeft geen gebruik gemaakt van zijn bevoegdheden om zich adequaat te laten informeren. Door zijn nalatigheid was hij niet in staat om de betalingsonmacht bij de ontvanger te (laten) melden.

Geen kleineondernemersregeling voor buitenlandse ondernemer

Geen kleineondernemersregeling voor buitenlandse ondernemer

De kleineondernemersregeling in de omzetbelasting geldt voor natuurlijke personen die een onderneming drijven. De kleineondernemersregeling is een vermindering van de door de ondernemer aan de Belastingdienst te betalen omzetbelasting. De regeling is van toepassing op de ondernemer die op jaarbasis minder dan € 1.883 aan omzetbelasting verschuldigd is. Bedraagt de verschuldigde omzetbelasting minder dan € 1.883 maar meer dan € 1.345, dan wordt het aan de Belastingdienst te betalen bedrag aan omzetbelasting verminderd met 2,5 maal het verschil tussen € 1.883 en het bedrag van de te betalen belasting. Bedraagt de verschuldigde omzetbelasting niet meer dan € 1.345, dan leidt de vermindering ertoe dat de ondernemer geen omzetbelasting aan de Belastingdienst hoeft te betalen.

Voor de toepassing van de kleineondernemersregeling wordt aan de ondernemers de eis gesteld dat zij in Nederland wonen of in Nederland beschikken over een vaste inrichting. Een vaste inrichting is een plaats van waaruit het bedrijf mede wordt uitgeoefend. Een vaste inrichting moet een zekere mate van duurzaamheid hebben en moet geschikt zijn voor een zelfstandige verrichting van de diensten van de onderneming.

Een in Duitsland wonend echtpaar was eigenaar van een voor de verhuur bestemde vakantiewoning in Nederland. Het echtpaar was ondernemer voor de omzetbelasting. De verhuur vond plaats door tussenkomst van een verhuurkantoor. De vraag was of het echtpaar over een vaste inrichting in Nederland beschikte. Hof Den Bosch oordeelde dat de activiteiten van de onderneming feitelijk werden verricht door het verhuurkantoor. Het echtpaar verrichtte zelf in Nederland geen activiteiten en de vakantiewoning kwalificeerde niet als vaste inrichting. Het verhuurkantoor vormde geen in Nederland gelegen verlengstuk van de onderneming van het echtpaar en was daarmee ook geen vaste inrichting van de onderneming. Het verhuurkantoor verrichtte zijn activiteiten zelfstandig en voor meerdere opdrachtgevers. Omdat het echtpaar niet beschikte over een vaste inrichting in Nederland hadden de echtgenoten geen recht op toepassing van de kleineondernemersregeling.

Transitievergoeding en loondispensatie

Transitievergoeding en loondispensatie

De vraag in een procedure bij de kantonrechter was of bij de berekening van de hoogte van de transitievergoeding en de gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging rekening moet worden gehouden met een ontvangen loondispensatie.
De basis voor de berekening van de transitievergoeding is het loon. Het begrip loon moet in dit verband worden opgevat als de vergoeding die de werkgever aan de werknemer verschuldigd is voor de bedongen arbeid. In het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding wordt het loon omschreven als het bruto uurloon vermenigvuldigd met de overeengekomen arbeidsduur per maand.

Volgens de kantonrechter telt het bedrag aan loondispensatie dat een werkgever van het UWV heeft ontvangen en bij iedere loonbetaling heeft uitbetaald aan de werknemer niet mee als brutoloon van de werknemer. Bij de berekening van de hoogte van de transitievergoeding hoeft met deze doorbetaalde bedragen geen rekening gehouden te worden. Bepalend daarvoor vond de kantonrechter dat in de arbeidsovereenkomst duidelijk was vermeld dat het bruto salaris voor 40% loon betrof en voor het overige deel de van het UWV ontvangen loondispensatie. Nadat de periode van loondispensatie was geëindigd ontving de werknemer van de werkgever 40% loon en een Wajong-uitkering van het UWV. De loondispensatie was niet afhankelijk van de door de werknemer te verrichten arbeid, maar betrof een persoonsgebonden uitkering. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat de arbeidsprestatie van de werknemer niet meer dan 40% bedroeg van een reguliere arbeidsprestatie.

Ook voor de berekening van de hoogte van de gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging hoeft geen rekening gehouden te worden met de loondispensatie. Deze schadevergoeding is gelijk aan het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou hebben voortgeduurd.

Teruggaaf omzetbelasting

Teruggaaf omzetbelasting

Een ondernemer heeft recht op teruggaaf van omzetbelasting op leveringen en diensten waarvoor hij de vergoeding niet heeft en niet zal ontvangen. Het recht op teruggaaf ontstaat op het tijdstip waarop vaststaat dat de vergoeding geheel of gedeeltelijk niet zal worden betaald. Om aan onzekerheid een eind te maken is per 1 januari 2017 in de wet geregeld dat het recht op teruggaaf geacht wordt te zijn ontstaan uiterlijk één jaar na het tijdstip waarop de vergoeding opeisbaar is geworden.

Tot 1 januari 2017 gold dat het recht op teruggaaf ontstond op het tijdstip waarop redelijkerwijs kon worden aangenomen dat de schuldenaar de vergoeding niet zou voldoen. Wanneer dat was, werd binnen zekere marges overgelaten aan de beoordeling van de ondernemer. Wel gold dat de teruggaaf van omzetbelasting uiterlijk moest worden gevraagd bij de aangifte over het eerste tijdvak waarin betaling van de vergoeding niet meer in rechte kon worden gevorderd.

De beoordelingsvrijheid van de ondernemer met betrekking tot de vraag of redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de voldoening door de schuldenaar achterwege zal blijven is niet onbeperkt. Hof Den Bosch oordeelde in een procedure dat een in 2014 gedaan verzoek om teruggaaf te laat was ingediend. Uit de vaststaande feiten volgde dat ruim voor 2014 vaststond dat de vorderingen van de ondernemer niet betaald zouden worden. Door toch pas in 2014 een verzoek om teruggaaf in te dienen heeft de ondernemer zijn beoordelingsvrijheid overschreden. Het verzoek om teruggaaf was niet-ontvankelijk.

Geen dienstbetrekking, dus geen recht op WW

Geen dienstbetrekking, dus geen recht op WW

Wie werkzaam is in een privaatrechtelijke dienstbetrekking, is werknemer in de zin van de WW. Voor een privaatrechtelijke dienstbetrekking moet aan drie vereisten zijn voldaan. Er moet een verplichting zijn om arbeid persoonlijk te verrichten, er moet een gezagsverhouding bestaan en er moet een verplichting zijn om loon te betalen. Bij de beoordeling van een arbeidsrelatie wordt niet alleen gekeken naar de rechten en verplichtingen, die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar ook naar de wijze waarop partijen uitvoering geven aan hun rechtsverhouding.

De vraag in een procedure was of een voormalige algemeen directeur van een bv recht had op een WW-uitkering. De statutaire directeur van deze bv was een holding-bv. De moeder van de algemeen directeur was de enige aandeelhouder van deze holding-bv. De algemeen directeur van de werk-bv was de statutaire directeur van de holding-bv. Dat feit maakte hem nog niet de statutaire directeur van de werk-bv. In de procedure was niet in geschil dat de algemeen directeur verplicht was om voor de werk-bv arbeid te verrichten of dat hij daarvoor loon van de werk-bv ontving. De vraag was of de algemeen directeur in een gezagsverhouding stond ten opzichte van de werk-bv. Onder meer uit verklaringen van andere werknemers van de werk-bv werd duidelijk dat de algemeen directeur de feitelijke leiding had binnen de werk-bv en naar buiten toe het gezicht was van de werk-bv. Ondanks haar aandeelhouderschap had de moeder van de algemeen directeur geen enkele bestuurlijke rol in de holding of de werk-bv.

De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat er geen gezagsverhouding heeft bestaan tussen de werk-bv en de algemeen directeur. Het UWV heeft terecht vastgesteld dat de algemeen directeur niet verplicht verzekerd was en daarom geen recht had op een WW-uitkering.

Onderhoudskosten tuin van monumentenpand

Onderhoudskosten tuin van monumentenpand

De onderhoudskosten voor een monumentenpand zijn aftrekbaar voor de inkomstenbelasting als persoonsgebonden aftrek. Tot de onderhoudskosten worden gerekend de kosten om het pand in bruikbare staat te herstellen of te houden, voor zover deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt.

Inzet van een procedure was de vraag of ook de kosten van het onderhoud van de bij een monumentenpand behorende tuin aftrekbaar zijn. Het ging er met name om of voor aftrek van deze kosten voldoende is dat het woonhuis een monumentenpand is en de tuin een aanhorigheid is bij het woonhuis, of dat voor aftrek nodig is dat ook de tuin een monument is. Voor de toepassing van de eigenwoningregeling behoort een tuin als aanhorigheid tot de eigen woning.
Hof Arnhem-Leeuwarden leidt uit de tekst van de Wet IB 1964 en uit de wetshistorie af dat de wetgever de bedoeling had om met de aftrek van onderhoudskosten aan te sluiten bij de destijds geldende Monumentenwet. De vervanging van de Monumentenwet door de Monumentenwet 1988 en van de Wet IB 1964 door de Wet IB 2001 hebben daarin geen wijziging gebracht. Dit betekent volgens het hof dat voor aftrek van de onderhoudskosten van de tuin vereist is dat de tuin een monument is of als onderdeel van een monument is ingeschreven in het monumentenregister.

Verzoek om teruggaaf buitenlandse btw

Verzoek om teruggaaf buitenlandse btw

Ondernemers, die in 2016 in een ander EU-land btw hebben betaald, kunnen deze btw terugvragen wanneer zij in dat land geen aangifte doen. Een verzoek om teruggaaf over 2016 moet vóór 1 oktober 2017 zijn ingediend. Dat kan via de website van de Belastingdienst. Verzoeken die later binnenkomen worden mogelijk niet meer in behandeling genomen. Houd er rekening mee dat voor een verzoek om teruggaaf inloggegevens nodig zijn. Wanneer het een eerste verzoek om teruggaaf van btw uit een ander EU-land betreft, moeten inloggegevens worden aangevraagd. Volgens de Belastingdienst kan het tot vier weken duren voordat de inloggegevens worden verstuurd.

Voorwaarden verzoek teruggaaf
U kunt btw terugvragen uit een EU-land als u aan een aantal voorwaarden voldoet:

  • Uw onderneming is in Nederland gevestigd.
  • Uw onderneming doet in het EU-land waar de btw wordt teruggevraagd, geen aangifte voor de btw. Doet de onderneming in het buitenland wel aangifte, dan kan de btw daar als voorbelasting in aftrek worden gebracht.
  • De btw heeft betrekking op goederen en diensten die voor met btw belaste bedrijfsactiviteiten worden gebruikt.

Verzoek om teruggaaf niet mogelijk
Een verzoek om teruggaaf van btw uit een ander EU-land is niet mogelijk in de volgende gevallen:

  • U bent geen ondernemer voor de btw.
  • Uw onderneming verricht uitsluitend vrijgestelde prestaties.
  • U heeft een ontheffing van administratieve verplichtingen.
  • U valt onder de landbouwregeling en voldoet niet aan de voorwaarden voor de teruggaafregeling van agrarische goederen.

Behandeling verzoek
De Belastingdienst van het EU-land waar de btw wordt teruggevraagd reageert binnen vier maanden bij beschikking op het verzoek om teruggaaf. Een verzoek wordt afgekeurd of geheel of gedeeltelijk goedgekeurd. Als het verzoek wordt goedgekeurd, volgt de betaling uiterlijk binnen tien werkdagen na afloop van de termijn van vier maanden.

Bijlagen bij verzoek
Afhankelijk van het EU-land waar btw wordt teruggevraagd moeten mogelijk facturen of invoerdocumenten worden meegestuurd. Op de website van de Belastingdienst is te vinden welke vereisten gelden per EU-land. Omvat een verzoek om teruggaaf een creditfactuur, dan moeten er mintekens voor het factuurbedrag en het btw-bedrag worden geplaatst zonder spatie tussen het minteken en het bedrag. Een creditfactuur die betrekking heeft op een factuur die in een eerder verzoek om teruggaaf is meegenomen moet aan het eerstvolgende verzoek om teruggaaf worden toegevoegd.

Aansprakelijkheid werkgever

Aansprakelijkheid werkgever

Als hoofdregel geldt dat de werkgever aansprakelijk is voor de schade die een werknemer tijdens het uitvoeren van zijn werk oploopt. Er geldt een uitzondering op de hoofdregel als de werkgever kan aantonen dat hij voldoende voorzorgsmaatregelen heeft getroffen. Een andere uitzondering geldt voor schade die het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Welke maatregelen een werkgever moet treffen om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, hangt af van de omstandigheden van het geval.

De werkgever heeft de verplichting om zijn werknemers te voorzien van goede instructies, zodat zij weten hoe zij veilig kunnen werken. Dat geldt ook als het werk eenvoudig is. Juist bij eenvoudig werk komt voor dat de werknemer minder oplettend en voorzichtig is. De werkgever moet daar rekening mee houden bij het geven van veiligheidsinstructies.

Hoger beroep ontbinding arbeidsovereenkomst

Hoger beroep ontbinding arbeidsovereenkomst

Tegen een beschikking waarbij de kantonrechter een arbeidsovereenkomst ontbindt, staat hoger beroep bij het gerechtshof open. Het hoger beroep moet worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak van de kantonrechter. Wordt het hoger beroep later ingesteld, dan zal het gerechtshof het beroep in beginsel niet-ontvankelijk verklaren.

De termijn van drie maanden na de uitspraak geldt ook wanneer de beschikking van de kantonrechter voorwaardelijk is, omdat de indiener de gelegenheid krijgt om het verzoek in te trekken. Ongeacht of het verzoek tot ontbinding wordt ingetrokken of niet heeft de kantonrechter definitief beslist op dat verzoek. Alleen de uitkomst is afhankelijk van de vervulling van de voorwaarde. De termijn wordt niet verlengd met de periode waarbinnen het verzoek om ontbinding kan worden ingetrokken.
Omdat termijnen waarbinnen rechtsmiddelen moeten worden ingesteld van openbare orde zijn, moet de rechter deze ambtshalve toepassen. Dat betekent dat de rechter altijd moet beoordelen of tijdig beroep of hoger beroep is ingesteld, ongeacht of een van de partijen een beroep heeft gedaan op overschrijding van de termijn. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan een uitzondering op de termijn worden gemaakt.