Archief van juli 2017

Maximum uurprijzen kinderopvang 2018

Maximum uurprijzen kinderopvang 2018

De maximum uurprijzen voor kinderopvang en de toetsingsinkomens voor de kinderopvangtoeslag voor 2018 zijn bekendgemaakt. De maximum uurprijs voor dagopvang in 2018 bedraagt € 7,45. Voor buitenschoolse opvang gaat de maximum uurprijs naar € 6,95 en voor gastouderopvang naar € 5,91. De inkomensgrens, waarbij voor het eerste kind het minimum aan kinderopvangtoeslag wordt bereikt, stijgt van € 99.999 naar € 101.971.

Gefaseerde aanpassing
De minister van Sociale Zaken heeft in een brief aan de Tweede Kamer gezegd dat hij wijzigingen in de kwaliteitseisen voor de kinderopvang gefaseerd in wil voeren. De versoepeling van de beroepskracht-kindratio voor kinderen van zeven jaar en ouder en de aanscherping van de beroepskracht-kindratio voor nuljarigen wil de minister per 1 januari 2019 in werking laten treden. Om die reden worden de maximum uurprijzen voor de dagopvang en buitenschoolse opvang gefaseerd aangepast. De eerste aanpassing vindt plaats per 1 januari 2018 en de volgende per 1 januari 2019.

De maximum uurprijs voor de dagopvang wordt per 1 januari 2018 met € 0,07 verhoogd. De eisen aan de inzet van pedagogisch beleidsmedewerkers en de aanscherping van de beroepskracht-kindratio voor nuljarigen worden per 1 januari 2019 ingevoerd. Ter compensatie daarvan zal de maximum uurprijs voor de dagopvang per 1 januari 2019 worden verhoogd met € 0,25. De maximum uurprijs voor de buitenschoolse opvang wordt per 1 januari 2018 verhoogd met € 0,08. Vanwege de versoepeling van de eisen aan de inzet van pedagogisch beleidsmedewerkers en van de beroepskracht-kindratio voor kinderen vanaf zeven jaar per 1 januari 2019 wordt de maximum uurprijs voor buitenschoolse opvang per 1 januari 2019 verlaagd met € 0,34.

Indexatie
Mogelijk worden de maximum uurprijzen voor de dagopvang en de buitenschoolse opvang per 1 januari 2019 geïndexeerd. Daarom kunnen de maximum uurprijzen per 1 januari 2019 nu nog niet bekend worden gemaakt.

Internetconsultatie maatregelen belastingontduiking

Internetconsultatie maatregelen belastingontduiking

Het ministerie van Financiën heeft een internetconsultatie geopend over voorgestelde maatregelen tegen belastingontduiking. De maatregelen zijn gericht op constructies die niet illegaal zijn maar maatschappelijk gezien wel ongewenst. Het gaat om vier invorderingsmaatregelen ter bestrijding van in de praktijk geregeld voorkomende invorderingsconstructies. Twee maatregelen verruimen de mogelijkheden om derden aansprakelijk te stellen. De andere twee maatregelen moeten formele drempels bij de aansprakelijkstelling wegnemen door een nieuwe manier van bekendmaking van een belastingaanslag aan ontbonden rechtspersonen en uitbreiding van de informatieplicht tot vermoedelijk aansprakelijken.

1. Aansprakelijkheid van begunstigden
De voorgestelde maatregel bevat een regeling van aansprakelijkheid van begunstigden van een handeling als voldaan is aan de volgende vereisten:
1) De handeling is onverplicht verricht.
2) De Belastingdienst is door die handeling benadeeld in zijn verhaalsmogelijkheden.
3) De belastingschuldige en de begunstigde hebben wetenschap van de benadeling.

2. Uitbreiding verhaalsmogelijkheden op erfgenamen
Het maximumbedrag waarvoor erfgenamen met betrekking tot belasting- of aansprakelijkheidsschulden van de erflater aansprakelijk zijn wordt verhoogd. De verhoging bestaat uit het bedrag dat de erfgenaam van de erflater heeft verkregen door een schenking die kort voor het overlijden van de erflater is gedaan.

3. Alternatieve wijze van bekendmaking aanslag
Voordat een derde aansprakelijk kan worden gesteld voor een belastingschuld, moet de aanslag waaruit de schuld voortvloeit, rechtsgeldig bekend zijn gemaakt. Is de belastingschuldige een ontbonden en vereffende rechtspersoon, dan moet de rechter de vereffening eerst heropenen voordat de aanslag rechtsgeldig bekend gemaakt kan worden. Bij een rechtspersoon naar buitenlands recht is dit niet altijd mogelijk. Dat is aanleiding om een alternatieve wijze van bekendmaking van een belastingaanslag aan (vermoedelijk) niet meer bestaande rechtspersonen in te voeren. De ontvanger kan de belastingaanslag bekend maken door het aanslagbiljet uit te reiken of te versturen aan het Openbaar Ministerie van de rechtbank waaronder de laatst bekende vestigingsplaats van de rechtspersoon ressorteert of van de rechtbank Den Haag. Een kopie van het aanslagbiljet wordt gepubliceerd in de Staatscourant en uitgereikt aan de laatst bekende bestuurder, aandeelhouder en vereffenaar van de rechtspersoon.

4. Uitbreiding informatieverplichting
De bestaande informatieplicht voor belastingschuldigen en aansprakelijk gestelden gaat ook gelden voor de (vermoedelijk) aansprakelijke die nog niet formeel door de Belastingdienst aansprakelijk is gesteld. In de praktijk is de bestaande informatieplicht niet altijd voldoende om te bepalen of iemand aansprakelijk gesteld kan worden voor een belastingschuld. De voorgestelde uitbreiding van de informatieplicht geldt uitsluitend voor zover de gevraagde informatie van belang kan zijn voor de invordering.

Belangstellenden kunnen reageren op de voorstellen tot en met 28 september 2017 viahttp://www.internetconsultatie.nl/aanpakbelastingontduiking.

Versoepeling financieringseisen hypotheek aangekondigd

Versoepeling financieringseisen hypotheek aangekondigd

De Tijdelijke regeling hypothecair krediet stelt de inkomenscriteria voor het verstrekken van hypotheekleningen en de maximale hoogte van het hypothecair krediet ten opzichte van de waarde van de woning vast. De regeling wordt op een aantal onderdelen gewijzigd. Met ingang van 2018 mag een nieuwe hypoteeklening niet hoger zijn dan 100% van de waarde van de woning.

De financieringsruimte voor tweeverdieners wordt verruimd. Bij de berekening van het financieringslastpercentage wordt vanaf 2018 uitgegaan van het hoogste toetsinkomen plus 70% van het lagere toetsinkomen. Nu is het deel van het lage inkomen dat wordt meegenomen in de berekening nog 60%. 

Geldverstrekkers mogen bij de berekening van de werkelijke en de toegestane financieringslast uitgaan van de aangeboden rente als de rentevastperiode korter is dan tien jaar en de lening aan het einde van de rentevastperiode is afgelost. In een dergelijk geval bestaat voor de consument immers geen risico op hogere maandlasten door een rentestijging. Daarom hoeft de geldverstrekker niet de door de Autoriteit Financiële Markten gepubliceerde gemiddelde rente te gebruiken voor deze berekening.

De wijzigingen treden op 1 januari 2018 in werking.

Gastouder kan ondernemer zijn

Gastouder kan ondernemer zijn

Winst uit onderneming is het totale bedrag van de voordelen die iemand verkrijgt uit een onderneming. Of sprake is van een onderneming hangt af van de duurzaamheid en omvang van de werkzaamheden, de grootte van de brutobaten, de winstverwachting, het lopen van ondernemersrisico, de beschikbare tijd, de bekendheid die naar buiten aan de activiteit wordt gegeven, het aantal opdrachtgevers en de omvang van de investeringen.

Hof Den Haag merkte de activiteiten van een gastouder aan als onderneming. De gastouder was met haar activiteiten in 2007 begonnen. Via drie geregistreerde gastouderbureaus sloot de gastouder overeenkomsten met ouders. Zij verrichtte haar activiteiten op meerdere dagen per week en ving zes tot zeven kinderen op van drie tot vier ouderparen. Aan de eisen van duurzaamheid, omvang, beschikbare tijd en het aantal opdrachtgevers was voldaan. Ten aanzien van de omvang van de brutobaten en de winstverwachting nam het hof de stijging in de jaren 2013 tot en met 2015 mede in aanmerking. Het hof vond het lopen van ondernemersrisico aannemelijk. De gastouder liep debiteurenrisico en inkomensrisico. De gastouder was verder aansprakelijk voor eventuele schade die ontstond tijdens de door haar verzorgde opvang. Om haar bekendheid naar buiten te vergroten maakte de gastouder gebruik van een eigen website, een facebookpagina, visitekaartjes en mond-tot-mondreclame. De beperkte omvang van de investeringen vond het hof inherent aan de aard van de activiteiten, die plaatsvonden op het woonadres van de gastouder.

Vrijstelling overdrachtsbelasting voor aandelen in onroerendgoed-bv

Vrijstelling overdrachtsbelasting voor aandelen in onroerendgoed-bv

Bij de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken moet overdrachtsbelasting worden betaald. Aandelen in een rechtspersoon, waarvan de bezittingen grotendeels bestaan uit onroerende zaken, worden aangemerkt als onroerende zaak. Dat geldt alleen als de activiteiten van de rechtspersoon bestaan uit het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van onroerende zaken. De maatstaf van heffing bij de verkrijging van aandelen in een dergelijke rechtspersoon is niet de waarde van de aandelen, maar de waarde van de onroerende zaken die door die aandelen wordt vertegenwoordigd. De achtergrond van deze bijzondere regeling is voorkomen dat de heffing van overdrachtsbelasting wordt ontgaan door de inbreng van een onroerende zaak in een rechtspersoon, waarvan de aandelen worden overgedragen.

Er geldt een vrijstelling van overdrachtsbelasting voor de verkrijging door een kind van een ondernemer van goederen die behoren tot de onderneming als het kind de bedrijfsvoering voortzet. Deze vrijstelling moet fiscale belemmeringen voor de overdracht van een onderneming van ouders aan hun kinderen wegnemen.

De rechtbank heeft onlangs geoordeeld dat de verkrijging van de aandelen in een onroerendgoed-bv door de dochter van de dga is vrijgesteld van overdrachtsbelasting. De bv dreef een materiële onderneming. Wanneer de vastgoedportefeuille van de bv als eenmanszaak zou zijn gedreven, was de overdracht van de onderneming vrijgesteld van overdrachtsbelasting. Volgens de rechtbank is met de wetsfictie, die aandelen aanmerkt als een onroerende zaak, niet bedoeld om belasting te heffen in een geval waarin verkrijging van de onroerende zaak zelf zou zijn vrijgesteld.

Internetconsultatie aanpassing laag tarief btw voor geneesmiddelen

Internetconsultatie aanpassing laag tarief btw voor geneesmiddelen

Voor geneesmiddelen geldt het verlaagde btw-tarief van 6%. In een arrest uit 2016 heeft de Hoge Raad een ruimere uitleg gegeven aan het begrip geneesmiddel dan de wetgever voor ogen stond. Volgens dat arrest kwalificeren zonnebrandmiddelen met UVA- of UVB-filter en natriumfluoridehoudende tandpasta als geneesmiddel. Het verlaagde btw-tarief is daardoor in meer gevallen van toepassing. Het kabinet stelt nu voor om de definitie van geneesmiddel in de Wet OB 1968 aan te passen. Vrijstelling geldt voor die geneesmiddelen waarvoor een handelsvergunning volgens de Geneesmiddelenwet is verleend of niet is vereist, met de bestaande uitbreiding voor voorbehoedsmiddelen, infusievloeistoffen en voor geneeskundige doeleinden bestemde inhalatiegassen. De voorgestelde regeling ligt tot 14 augustus a.s. ter consultatie. Het is de bedoeling dat de gewijzigde tekst per 1 januari 2018 in de wet wordt opgenomen.

Inkeerregeling wordt afgeschaft per 1 januari 2018

Inkeerregeling wordt afgeschaft per 1 januari 2018

De inkeerregeling is bedoeld om belastingplichtigen, die een onjuiste of onvolledige aangifte hebben gedaan, ertoe te bewegen alsnog een juiste aangifte te doen. De inkeerregeling houdt in dat bij navordering van belasting geen boete wordt opgelegd aan een belastngplichtige die op eigen initiatief alsnog openheid van zaken geeft. Aanvankelijk gold de regeling voor alle belastingjaren. Met ingang van 2 juli 2009 is de termijn, waarbinnen geen boete wordt opgelegd, beperkt tot uiterlijk twee jaar na het tijdstip waarop een aangifte is gedaan of had moeten worden gedaan. Bij latere inkeer wordt de boete gematigd. In de afgelopen jaren is de na matiging resterende vergrijpboete buiten deze periode al een aantal maal verhoogd, sinds 1 juli 2016 tot 120% van de nagevorderde belasting wanneer het gaat om vermogen in box 3.

De staatssecretaris van Financiën geeft uitvoering aan zijn voornemen om de inkeerregeling af te schaffen. Dat gebeurt in het Belastingplan 2018. Datum van ingang is 1 januari 2018. Vanaf die datum geldt is inkeer zonder boete niet meer mogelijk.

Loonkostenvoordelen treden op 1 januari 2018 in werking

Loonkostenvoordelen treden op 1 januari 2018 in werking

De Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) vormt de bestaande premiekortingen voor oudere uitkeringsgerechtigden en mensen met een arbeidsbeperking om tot loonkostenvoordelen. De Wtl is in 2015 in het Staatsblad geplaatst. De inwerkingtreding van de diverse loonkostenvoordelen wordt bij koninklijk besluit geregeld. Loonkostenvoordelen zijn tegemoetkomingen aan werkgevers voor het in dienst nemen van werknemers uit deze doelgroepen.

Loonkostenvoordeel
Het loonkostenvoordeel voor een oudere werknemer of voor een arbeidsgehandicapte werknemer bedraagt op jaarbasis maximaal € 6.000. Voor de doelgroep banenafspraak wordt het maximum € 2.000 per jaar. Deze bedragen worden omgerekend in een vast bedrag per verloond uur. Dat komt neer op de volgende bedragen:

  • loonkostenvoordeel oudere werknemer: € 3,05;
  • loonkostenvoordeel arbeidsgehandicapte werknemer: € 3,05;
  • loonkostenvoordeel doelgroep banenafspraak: € 1,01.

Er bestaat geen recht op het loonkostenvoordeel wanneer na beëindiging van een dienstbetrekking binnen zes maanden een dienstbetrekking tussen dezelfde werkgever en werknemer tot stand komt. De bepalingen uit de Wtl, die betrekking hebben op de loonkostenvoordelen, treden op 1 januari 2018 in werking. Het koninklijk besluit dat de inwerkingtreding regelt is inmiddels in het Staatsblad gepubliceerd.

Lage-inkomensvoordeel
De maximale hoogte van het lage-inkomensvoordeel is € 2.000 per jaar bij een jaarloon van 100 tot 110% van het wettelijk minimumloon en € 1.000 per jaar bij een jaarloon van 110% tot 120% van het wettelijk minimumloon. Het lage-inkomensvoordeel wordt per verloond uur toegekend:

  • bij een gemiddeld uurloon tussen € 9,66 en € 10,63 is het lage-inkomensvoordeel per uur € 1,01;
  • bij een gemiddeld uurloon tussen € 10,63 en € 12,08 is het lage-inkomensvoordeel per uur € 0,51.

Het lage-inkomensvoordeel wordt alleen toegekend bij banen voor ten minste 24 uur per week. Er geldt geen leeftijdsondergrens maar wel een bovengrens. Dat is de AOW-leeftijd omdat voor AOW-gerechtigde werknemers geen premies voor de werknemersverzekeringen betaald hoeven te worden. Het lage-inkomensvoordeel is op 1 januari 2017 van toepassing geworden.

Loontip juli

De subsidieregeling praktijkleren kan dit jaar tot 15 september 2017, 17.00 uur aangevraagd worden voor leerlingen voor het leerjaar augustus 2016 tot en met juli 2017.

Bent u in het bezit van een getekende praktijkovereenkomst, dan kunt u de praktijksubsidie aanvragen bij het RVO (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland).

Wij kunnen deze subsidie ook voor u aanvragen.

Via deze link http://www.rvo.nl/subsidies-regelingen/subsidieregeling-praktijkleren  vindt u aanvullende informatie of raadpleeg uw cliëntadviseur.

Geen verlenging restschuldregeling

Geen verlenging restschuldregeling

In 2013 stond 36% van de koophuizen in Nederland onder water. Dat wil zeggen dat de hypotheekschuld hoger was dan de waarde van de woning op dat moment. Eind 2016 was dit afgenomen tot bijna 18%. De verwachting is dat dit percentage zal dalen als gevolg van stijgende huizenprijzen en van maatregelen die zijn genomen op de woningmarkt. Ook de omvang van restschulden zal dalen.

Een van de maatregelen, die destijds is getroffen ter bestrijding van de gevolgen van de financiële crisis, is de restschuldregeling. Deze maatregel loopt op 31 december 2017 af. De restschuldregeling houdt in dat de rente over de na verkoop van een eigen woning resterende schuld in aftrek kan worden gebracht gedurende maximaal 15 jaar. De regeling had verbetering van de doorstroming op de woningmarkt als doel.

De staatssecretaris van Financiën verwacht dat het aantal huizen dat onder water staat eind 2017 weer op het niveau van voor de crisis zal zijn. Daarom is hij niet van plan om de restschuldregeling te verlengen.