Archief van mei 2017

Geen verlenging coulanceperiode afschaffing pensioen in eigen beheer

Geen verlenging coulanceperiode afschaffing pensioen in eigen beheer

Per 1 april 2017 is een wet van kracht geworden die de mogelijkheid om een pensioen in eigen beheer bij de bv op te bouwen afschaft. De wet introduceert een tijdelijke maatregel om een reeds opgebouwd pensioen in eigen beheer fiscaal vriendelijk af te kopen. Voor dga’s, die geen gebruik van de afkoopmogelijkheid kunnen of willen maken, biedt de wet de mogelijkheid om de pensioenvoorziening om te zetten in een oudedagsreserve of om de pensioenvoorziening te bevriezen. Bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer heeft de staatssecretaris van Financiën een extra termijn van drie maanden toegezegd om dga’s en bv’s en hun adviseurs de tijd te geven om de nodige stappen te zetten in verband met de uitfasering van het pensioen in eigen beheer.

De staatssecretaris van Financiën is niet van plan om deze zogenaamde coulanceperiode te verlengen. Dat zegt hij in antwoord op Kamervragen, die zijn gesteld naar aanleiding van een bericht dat een op de drie dga’s niet op de hoogte van de afschaffing van het pensioen in eigen beheer zou zijn.

Volgens de staatssecretaris hebben dga’s sinds 1 juli 2016 de tijd gehad om na te denken over hun bestaande pensioenvoorziening in eigen beheer. Op die datum stuurde de staatssecretaris een brief met de contouren van de huidige regeling. Vervolgens heeft de staatssecretaris een extra termijn van drie maanden toegezegd om de noodzakelijke stappen te zetten in het kader van de uitfasering van het pensioen in eigen beheer. Door het uitstel van de inwerkingtreding van de wet is ook de coulanceperiode opgeschoven met drie maanden tot 1 juli 2017. Dat moet voldoende zijn om te regelen dat de opbouw van het pensioen in eigen beheer wordt stopgezet. Als de dga besluit om een elders verzekerd pensioen over te laten brengen naar eigen beheer, moet de waardeoverdracht plaatsvinden voor het einde van de coulanceperiode. Het volstaat als het verzoek tot overdracht uiterlijk op 30 juni 2017 bij de verzekeraar is ingediend.

Voor alle duidelijkheid, de beslissing om een bestaande pensioenvoorziening fiscaal gefaciliteerd af te kopen of om te zetten in een oudedagsverplichting hoeft niet voor 1 juli 2017 te worden genomen. Deze beslissing moet uiterlijk op 31 december 2019 zijn genomen.

Verkapte winstuitdeling

Verkapte winstuitdeling

De voordelen die een aandeelhouder haalt uit aandelen die een aanmerkelijk belang vormen, worden belast in box 2 van de inkomstenbelasting. Verkapte winstuitdelingen worden tot de voordelen uit aanmerkelijke belang gerekend. Een verkapte winstuitdeling is de bevoordeling van een aandeelhouder ten laste van de vennootschap waarvan hij aandeelhouder is. De vennootschap en de aandeelhouder moeten zich van de bevoordeling bewust zijn geweest. De bewijslast voor een verkapte winstuitdeling ligt bij de inspecteur.

De verkoop van een onroerende zaak door een bv aan haar beide aandeelhouders vond plaats voor een prijs waarover in april 2002 met de Belastingdienst overeenstemming was bereikt. De transactie vond plaats op 30 december 2005. Gezien de marktontwikkeling in deze periode was te verwachten dat de waarde van de onroerende zaak was gestegen. De rechtbank betrok de WOZ-waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2005 in de beoordeling. Deze waarde vormde een concrete aanwijzing dat de in 2002 overeengekomen waarde niet meer actueel was. De rechtbank vond aannemelijk dat de aandeelhouders zich bewust waren van de bevoordeling ten laste van de bv. Omdat de aandeelhouders ook bestuurder waren van de bv was aannemelijk dat ook de bv zich van de bevoordeling bewust moet zijn geweest.

Tijdens de procedure kwam aan de orde of het verschil tussen de koopprijs en de waarde in het economische verkeer als schuld in rekening-courant aan de bv kon worden aangemerkt in plaats van als winstuitdeling. Daartoe zou al bij de koop moeten zijn overeengekomen dat een eventuele meerwaarde in rekening-courant zou worden verwerkt. Het bestaan van een dergelijke overeenkomst is tijdens de procedure op geen enkele wijze onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank was sprake van een winstuitdeling.

Wijzigingen minimumloon per 1 juli 2017

Wijzigingen minimumloon per 1 juli 2017

Per 1 juli 2017 verandert er het een en ander aan het minimumloon. Op die datum gaat de leeftijd voor het volwassen minimumloon omlaag van 23 naar 22 jaar. Voor mensen jonger dan 23 jaar bedraagt het minimumloon een percentage van het minimumloon voor een volwassene. Deze percentages gaan voor 18- tot en met 21-jarigen per 1 juli 2017 omhoog.  De bedragen van het minimumloon worden ieder halfjaar aangepast. Per 1 juli 2017 gelden de in de tabel opgenomen bedragen per maand bij een volledige werkweek. Deze bedragen zijn exclusief vakantiegeld.

Minimumloon per 1 juli 2017
Leeftijd

Percentage tot 1 juli

Percentage per 1 juli

Bedrag per maand
 15 jaar  30  30  € 469,60
 16 jaar  34,5  34,5  € 540,05
 17 jaar  39,5  39,5  € 618,35
 18 jaar  45,5  47,5  € 743,55
 19 jaar  52,5  55  € 860,95
 20 jaar  61,5  70  € 1.095,80
 21 jaar  72,5  85  € 1.330,60
 22 jaar  85  100  € 1.565,40
 23 jaar  100  100  € 1.565,40

Verbod op privégebruik auto helpt dga niet

Verbod op privégebruik auto helpt dga niet

Wanneer een werkgever aan een werknemer een auto ter beschikking stelt, wordt deze auto geacht ook privé te worden gebruikt. Dat is een vorm van loon in natura. Met het privégebruik wordt rekening gehouden door op kalenderjaarbasis 22% van de waarde van de auto bij het loon te tellen. Er vindt geen bijtelling plaats als de werknemer kan bewijzen dat in een kalenderjaar niet meer dan 500 kilometer privé is gereden met de auto. Dat bewijs kan worden geleverd met een rittenregistratie.

De dga van een bv meende dat geen bijtelling hoefde plaats te vinden omdat de bv geen auto aan hem ter beschikking had gesteld. De arbeidsovereenkomst van de dga bevatte een uitdrukkelijk verbod op privégebruik van de auto. De dga gebruikte de auto voor dienstritten en parkeerde de auto na gebruik op het terrein van de bv. Daar bleef de auto na sluitingstijd staan achter een afsluitbaar hek.
Een verbod op privégebruik van de auto in de arbeidsovereenkomst van een dga heeft volgens de inspecteur geen realiteitswaarde.

Gezien de bepalingen in de arbeidsovereenkomst heeft de bv aan de dga een auto ter beschikking gesteld. De dga kon als enig bestuurder van de werkgever bepalen of en hoe hij van de auto gebruik maakte. Daarom was geen sprake van een geval waarin een werknemer een auto alleen mag gebruiken om in opdracht van zijn werkgever en in diens belang personen of goederen te vervoeren. Het in de arbeidsovereenkomst opgenomen verbod op privégebruik is in het geval van een dga niet van belang, evenmin als de omstandigheid dat andere medewerkers de auto konden gebruiken. De medewerkers konden dit alleen doen in overleg met en na toestemming van de dga. De dga had geen rittenregistratie bijgehouden en ook niet op andere wijze aangetoond dat hij de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer privé heeft gebruikt. Het verbod op privégebruik voorkwam de bijtelling niet.

Leeftijdsgrens aftrek scholingskosten

Leeftijdsgrens aftrek scholingskosten

De uitgaven voor een opleiding of studie, die wordt gevolgd met de bedoeling om inkomen uit werk en woning te verwerven, zijn onder voorwaarden aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Om aan aftrek toe te komen moet het gezamenlijke bedrag van de uitgaven hoger zijn dan € 250. De aftrek is begrensd op een bedrag van € 15.000. Voor belastingplichtigen die jonger zijn dan 30 jaar geldt gedurende een periode van vijf jaar geen maximum aan de aftrek. In deze periode moet de belastingplichtige zijn tijd grotendeels besteden aan de studie, terwijl de studielast zodanig moet zijn dat daarnaast geen volledige baan mogelijk is. Over de vraag of deze regeling een vorm van leeftijdsdiscriminatie inhoudt, is onlangs een procedure gevoerd.

Het Hof van Justitie EU heeft daarover gezegd dat de regeling is toegestaan omdat deze is bedoeld om de positie van jongeren op de arbeidsmarkt te versterken. Dat is een legitiem doel. De middelen om dat doel te bereiken moeten passend en noodzakelijk zijn. De Hoge Raad heeft na het arrest van het Hof van Justitie EU de procedure voortgezet. Bij de beoordeling of de ingezette middelen passend en noodzakelijk zijn om het doel van de regeling te bereiken heeft de wetgever een ruime beoordelingsmarge. De Hoge Raad is van oordeel dat deze marge door de regeling niet wordt overschreden. De beperking van de volledige aftrek tot personen die jonger zijn dan 30 jaar gaat niet verder dan nodig is voor de versterking van de positie van jongeren in het arbeidsproces. Personen die 30 jaar of ouder zijn hebben vaak al de gelegenheid gehad om een opleiding te volgen en verkeren meestal in een betere financiële positie dan schoolverlaters.

De procedure betrof iemand die op zijn 32e begon aan een opleiding tot verkeersvlieger. Hij bracht in zijn aangifte inkomstenbelasting een bedrag van ruim € 21.500 aan scholingsuitgaven in aftrek. Zijn inkomen in dat jaar bedroeg nihil, waardoor persoonsgebonden aftrekposten als de scholingsuitgaven niet in aanmerking konden worden genomen. In afwijking van de aangifte accepteerde de inspecteur het maximaal aftrekbare bedrag aan scholingsuitgaven van € 15.000. Dat bedrag verwerkte de inspecteur in een beschikking “niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek”. Volgens de student was de beperking van de aftrek van scholingskosten gebaseerd op een verboden onderscheid naar leeftijd. De Hoge Raad oordeelt dat het onderscheid naar leeftijd in dit geval is toegestaan.

Ontslag op staande voet vernietigd

Ontslag op staande voet vernietigd

Ontslag op staande voet is een verstrekkende maatregel, die niet licht kan worden genomen. Voor ontslag op staande voet is een dringende reden vereist. Verder moet een ontslag op staande voet onverwijld worden gegeven.

Een medewerker van een camping werd op staande voet ontslagen omdat hij een biljet van € 50 aan fooi zou hebben willen verduisteren. In plaats van het biljet in de fooienpot te stoppen had hij het opgevouwen en onder het pinapparaat gelegd. De medewerker bestreed het ontslag op staande voet met een beroep op vermoeidheid na een dienst van 16 uur. Hof Den Bosch vond de handelwijze van de medewerker onlogisch en verdacht, maar kon niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat de medewerker de bedoeling had het biljet te verduisteren.

Het hof oordeelde dat het opvouwen en wegstoppen van het biljet niet sneller was dan het scannen van het biljet en opbergen ervan in de fooienpot. De fooienpot en het scanapparaat stonden binnen handbereik. De medewerker had volgens zijn zeggen de fooi onder het pinapparaat gelegd om te voorkomen dat het biljet kwijt zou raken. Wegstoppen van de fooi was niet nodig om te voorkomen dat het biljet door een klant zou worden weggenomen. De handelwijze was verdacht, maar voor ontslag op staande voet is meer nodig is dan de verdenking dat de medewerker de fooi heeft weggestopt om het geld weg te nemen. Het hof acht niet onmogelijk dat de onlogische handelwijze voortkwam uit vermoeidheid

Vordering van ondernemer op broer geen ondernemingsvermogen

Vordering van ondernemer op broer geen ondernemingsvermogen

Een vordering is ondernemingsvermogen wanneer deze is ontstaan in het kader van de normale bedrijfsuitoefening. Een vordering die samenhangt met bedrijfsvreemde activiteiten kan alleen ondernemingsvermogen zijn als het gaat om het uitlenen van tijdelijk overtollige liquide middelen. Dat moet wel gebeuren op een zodanige manier dat de uitgeleende middelen tijdig weer in de onderneming beschikbaar zijn. Een verlies op een vordering, die tot het ondernemingsvermogen behoort, komt ten laste van de winst en verlaagt daarmee het bedrag van de te betalen belasting.

Lening aan bedrijf van broer ondernemingsvermogen?
Een ondernemer leende geld uit aan zijn broer voor de financiering van diens bedrijf. Dat bedrijf werd in de vorm van een bv gedreven. De bv ging failliet, zonder dat de leningen werden terugbetaald. De ondernemer meende dat de leningen tot zijn ondernemingsvermogen gerekend hadden moeten worden. Dat zou tot gevolg hebben dat het verlies op de leningen ten laste van de winst uit onderneming gebracht kon worden. De totale vordering bedroeg € 500.000. Volgens de ondertekende overeenkomsten van geldlening zou € 5.000 per jaar worden afgelost. Desondanks zou het de bedoeling zijn geweest om het geld kortstondig te lenen.

Hof Den Bosch vond niet aannemelijk dat de ondernemer zijn overtollige liquide middelen tijdelijk aan zijn broer had uitgeleend. Al eerder was voorzienbaar dat de broer niet in staat zou zijn de leningen snel af te lossen. De aan de broer verstrekte geldleningen behoorden niet tot het ondernemingsvermogen.

Resultaat uit werkzaamheid?
Het verlies op de vordering zou ook ten laste van het inkomen gebracht kunnen worden wanneer sprake van resultaat uit overige werkzaamheden zou zijn geweest. Daarvoor is nodig dat vermogen rendabel wordt gemaakt op een wijze die normaal, actief vermogensbeheer te buiten gaat. Dat kan het geval zijn als er activiteiten worden verricht die naar hun aard en omvang gericht zijn op het behalen van een hoger rendement. De ondernemer had wel werkzaamheden voor het bedrijf van zijn broer verricht, maar het hof vond niet aannemelijk dat deze werkzaamheden gericht waren op een hoger rendement. Al voordat het eerste deel van de leningen werd verstrekt, werkte de ondernemer voor zijn broer zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen. Nadien waren de werkzaamheden er volgens het hof op gericht om te redden wat er te redden viel.

Uitkomst procedure
Omdat de lening aan het bedrijf van de broer niet kwalificeerde als ondernemingsvermogen en er ook geen sprake was van overige werkzaamheden waartoe de lening kon worden gerekend, kwam het verlies op de lening niet ten laste van het inkomen.

Wet tegen onredelijk lange betaaltermijnen

Wet tegen onredelijk lange betaaltermijnen

De wet, die het hanteren van onredelijk lange betaaltermijnen tegengaat, is op 26 april jl. in het Staatsblad geplaatst. De wet wil voorkomen dat grote ondernemingen onredelijk lange betaaltermijnen afdwingen van zelfstandige ondernemers en kleine of middelgrote ondernemingen. Daarom schrijft de wet voor grote ondernemingen een uiterste betaaltermijn van 60 dagen voor. Een hiervan afwijkende betaaltermijn in een overeenkomst is een nietige bepaling. Voor bestaande overeenkomsten geldt een overgangstermijn van één jaar na de datum van inwerkingtreding.

Grote onderneming
Het Burgerlijk Wetboek omvat in boek 2 een indeling van ondernemingen naar grootte. Een onderneming kwalificeert volgens deze omschrijving als groot, wanneer aan twee van de volgende drie criteria is voldaan.

  1. de waarde van de activa volgens de balans bedraagt meer dan € 20 miljoen;
  2. de netto omzet over het boekjaar bedraagt meer dan € 40 miljoen;
  3. het gemiddeld aantal werknemers over het boekjaar bedraagt 250 of meer.

Sanctie
De sanctie, die bij te late betaling van toepassing is, bestaat uit de wettelijke rente over het openstaande bedrag. De wettelijke rente is verschuldigd met ingang van de dag na het verstrijken van de betaaltermijn tot en met de dag van betaling.

Inwerkingtreding
De wet treedt op 1 juli 2017 in werking.

Toepassing tijdsevenredige vermindering premiedeel heffingskorting

Toepassing tijdsevenredige vermindering premiedeel heffingskorting

Een heffingskorting is een bedrag dat in mindering wordt gebracht op de te betalen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen worden gecombineerd geheven. De besteding van de belastingopbrengsten en de premieopbrengsten verschillen. De heffingskorting bestaat uit een belastingdeel en een premiedeel. Deze delen van de heffingskorting worden afzonderlijk vastgesteld. Recht op het premiedeel van de heffingskorting bestaat alleen voor personen die premieplichtig zijn voor de volksverzekeringen. Wanneer het premiedeel van de heffingskorting niet kan worden verrekend met de verschuldigde premie wordt het bedrag van de inkomstenbelasting met het niet verrekende deel verminderd. De heffingskorting volksverzekeringen kan dus worden omgezet in een belastingkorting. Wanneer iemand een gedeelte van het jaar premieplichtig is, wordt het premiedeel van de heffingskorting tijdsevenredig verminderd. Deze vermindering geldt niet als iemand door overlijden slechts een deel van het jaar premieplichtig is geweest.

De vraag is of de tijdsevenredige vermindering van het premiedeel van de heffingskorting een belemmering vormt van het vrije verkeer van werknemers. Deze vraag kwam op in een procedure van iemand die een deel van een kalenderjaar in Nederland woonde en werkte, en vervolgens naar Polen verhuisde. Het inkomen in dat jaar werd vrijwel uitsluitend in Nederland verdiend. De Hoge Raad heeft de vraag voorgelegd aan het Hof van Justitie EU.

Misbruik klantenkaart reden voor ontslag op staande voet

Misbruik klantenkaart reden voor ontslag op staande voet

Een arbeidsovereenkomst kan door ieder van de partijen met onmiddellijke ingang worden opgezegd op grond van een dringende reden. Die opzegging moet wel direct, onder mededeling van de reden, aan de wederpartij worden gedaan. Voor zover het betreft ontslag op staande voet van een werknemer, kunnen handelingen als diefstal of agressief gedrag tot gevolg hebben dat van de werkgever niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

Een werkneemster bestreed het haar gegeven ontslag op staande voet bij de kantonrechter omdat het ontslag niet onverwijld zou zijn gegeven. De werkgever was op 5 januari 2017 op de hoogte van de dringende reden, maar de werkneemster zou pas op 18 januari kennis hebben genomen van het ontslag. Uit een door de werkgever overgelegd en door de werkneemster ondertekend gespreksverslag bleek echter dat de werkneemster al op 9 januari 2017 was ontslagen. De kantonrechter was van oordeel dat de werkgever had voldaan aan de eis van onverwijlde mededeling van het ontslag op staande voet onder opgave van de dringende reden. Die reden bestond uit het misbruik maken van de klantenkaart van haar zus door aan klanten zonder klantenkaart toch korting te geven. Door de op de klantenkaart van de zus van de werkneemster bijgeschreven aankopen had zij waardebonnen van de werkgever ontvangen. Volgens de kantonrechter was dat gedrag van de werkneemster een vorm van fraude waardoor de werkgever was benadeeld. Bij de beoordeling van de ernst van deze gedraging speelde mee dat de werkneemster in het verleden al was gewaarschuwd voor vergelijkbaar gebruik van haar eigen klantenkaart. Volgens de kantonrechter moet het de werkneemster duidelijk zijn geweest dat dergelijk gedrag door de werkgever niet wordt getolereerd. Het gegeven ontslag bleef in stand.