Archief van maart 2017

Leidraad vergoeding vervroegde aflossing hypotheken

Wie vanwege de huidige lage rentestand zijn hypotheek vervroegd aflost of wil omzetten, wordt geconfronteerd met de berekening van boeterente door de bank. De wijze van berekening van het bedrag aan boeterente is vaak onduidelijk. De bank deelt de uitkomst van de berekening mee aan de klant, maar de berekening is niet te controleren. Daar is door een Europese richtlijn verandering in gekomen.

Op 14 juli 2016 is de Europese hypothekenrichtlijn in Nederland van kracht geworden. Deze richtlijn bevat voorschriften over de kosten die banken in rekening mogen brengen bij vervroegde aflossing van hypotheken. Volgens de richtlijn mogen banken niet meer kosten in rekening brengen dan het daadwerkelijke financiële nadeel dat zij lijden door de vervroegde aflossing.

In de Tweede Kamer zijn vragen gesteld over de berekening van het nadeel c.q. van de kosten die banken in rekening brengen. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft naar aanleiding van deze vragen onderzocht of de praktijk aansluit bij de aangescherpte regels van de richtlijn. Vervolgens heeft de AFM een leidraad opgesteld waarin wordt uitgelegd hoe het financiële nadeel bij vervroegde aflossing op een adequate wijze kan worden berekend. De leidraad heeft vier uitgangspunten.

  1. De vergoeding voor vervroegde aflossing wordt berekend over het bedrag van de vervroegde aflossing verminderd met het bedrag dat de klant contractueel vergoedingsvrij mag aflossen.
  2. De vergoeding wordt berekend aan de hand van een vergelijkingsrente. Dat is de rente die de bank aanbiedt voor een hypotheek met een looptijd die vergelijkbaar is met de resterende rentevastperiode. Als de bank geen vergelijkbare looptijd aanbiedt, kiest zij de hoogste naastgelegen rente.
  3. De vergoeding voor vervroegde aflossing mag niet hoger uitvallen door een inconsistente toepassing van de loan to value (LTV) verhouding bij het vaststellen van de vergelijkingsrente.
  4. De afgesproken toekomstige aflossingen van de klant worden meegenomen in de berekening van de vergoeding.

Deze wijze van berekenen van boeterente geldt niet voor vervroegde aflossingen die voor 14 juli 2016 hebben plaatsgevonden. Wie na die datum vervroegd heeft afgelost doet er goed aan de bank te vragen of het in rekening gebrachte bedrag aan boeterente in overeenstemming is met de leidraad van de AFM.

Ontheffing concurrentiebeding

Ontheffing concurrentiebeding

Wil een aan een werknemer opgelegd concurrentie- of relatiebeding rechtsgeldig zijn, dan moet het beding schriftelijk zijn vastgelegd. Deze eis wordt gesteld omdat een dergelijk beding bezwarend is voor de werknemer. Wanneer op een later moment ten gunste van de werknemer wordt afgeweken van een opgelegd concurrentie- of relatiebeding, is het niet nodig om deze afwijkingen schriftelijk vast te leggen. Bewijsrechtelijk is het echter wel aan te raden.

Dat de eis van schriftelijke vastlegging niet geldt voor een verzachting van een bestaand concurrentiebeding blijkt uit een recent arrest van Hof Den Haag. De procedure had betrekking op een werknemer, die in dienst trad bij een leverancier van zijn oude werkgever. Kort daarvoor was de moedermaatschappij van de oude werkgever failliet gegaan en waren de aandelen van de oude werkgever verkocht aan een directe concurrent van de leverancier van de oude werkgever. De leverancier beëindigde daarop de distributieovereenkomst met de oude werkgever. Een voormalige directeur van de oude werkgever verklaarde in de procedure dat hij op de hoogte was van de sollicitatie van de werknemer bij de leverancier en dat hij de werknemer voor zover nodig ontheffing had verleend van het concurrentie- en het relatiebeding. Op dat moment vormde deze bedingen geen belemmering voor de sollicitatie. Die belemmering onstond pas na het faillissement van de moedermaatschappij en de daaropvolgende overdracht van de aandelen.

Beperking wettelijke gemeenschap van goederen

Beperking wettelijke gemeenschap van goederen

De Eerste Kamer heeft een wetsvoorstel, dat de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen beperkt, aangenomen. De (volledige) gemeenschap van goederen is het huwelijksgoederenregime dat volgens de wet tot nu toe geldt wanneer echtgenoten geen afwijkende regeling hebben getroffen. Afwijking van de gemeenschap van goederen kan door het opstellen van huwelijksvoorwaarden.

Overnamerecht
Het nu aangenomen wetsvoorstel bevat een recht op overname van een gemeenschappelijk goed door een echtgenoot voor het geval een privéschuldeiser van de andere echtgenoot zich op dat goed wil verhalen. Bij de uitoefening van dat recht moet de echtgenoot de helft van de waarde van het goed vergoeden aan de gemeenschap, waarna het goed een privégoed is geworden. Financieren van de overname kan met privé spaargeld, maar ook met een privélening.

Bewijsvermoeden
Bij de afwikkeling van een huwelijksgoederengemeenschap geldt een bewijsvermoeden. Op grond daarvan wordt een goed als een gemeenschapsgoed aangemerkt als geen van de echtgenoten kan aantonen dat het goed tot zijn privévermogen behoort.

Verrekening
Het wetsvoorstel houdt geen finaal verrekenstelsel in. Een finaal verrekenbeding houdt in dat bij het einde van het huwelijk het vermogen wordt verdeeld alsof er een volledige gemeenschap van goederen was geweest. Wanneer echtgenoten dat willen, moeten zij dat regelen in huwelijkse voorwaarden.

Fiscale aspecten
Het aangenomen wetsvoorstel heeft geen nieuwe fiscale gevolgen. Bij de behandeling van het Belastingplan 2017 in de Tweede Kamer is de staatssecretaris van Financiën gevraagd om een reactie op een aantal specifieke voorbeelden die betrekking hebben op de eigenwoningregeling. De staatssecretaris heeft toegezegd zo snel mogelijk te reageren nadat duidelijk is wanneer het wetsvoorstel in werking zal treden. De staatssecretaris zal in zijn reactie ook ingaan op de fiscale consequenties van het vergoedingsrecht.

De fiscale gevolgen bij het overlijden van de partner zijn voor de langstlevende afhankelijk van het gekozen huwelijksgoederenregime. Dat verandert niet door dit wetsvoorstel. Het gekozen regime kan tijdens het huwelijk worden aangepast door het opstellen van huwelijkse voorwaarden.

Bovenmatige kilometervergoeding

Bovenmatige kilometervergoeding

Een vergoeding voor reiskosten is vrijgesteld tot een bedrag van € 0,19 per zakelijk gereden kilometer. Wordt meer vergoed dan dat bedrag, dan vormt het meerdere loon.

Een werknemer ontving een vergoeding van € 0,31 per kilometer voor de zakelijk gereden kilometers. De werkgever merkte deze vergoeding aan als belastbaar loon voor het verschil tussen € 0,31 en € 0,19 per kilometer. De werknemer meende dat dit niet terecht was omdat de kosten per kilometer ten minste € 0,31 bedroegen. Om het in zijn ogen ten onrechte als loon aangemerkte bedrag in aftrek te brengen, verwerkte hij dit met een toelichting als studiekosten in zijn aangifte. De Belastingdienst accepteerde de aftrekpost niet.

In de procedure over de niet geaccepteerde aftrekpost voerde de werknemer aan dat sprake was van discriminatie tussen werknemers met een auto van de zaak, die geen belasting hoeven te betalen over de zakelijk gereden kilometers en werknemers die met hun privéauto zakelijke kilometers rijden en over de vergoeding, die zij ontvangen voor de zakelijk gereden kilometers, wel belasting moeten betalen.
Naar het oordeel van de rechtbank en het gerechtshof is de situatie van een werknemer die een privéauto mede zakelijk gebruikt zowel feitelijk als juridisch niet gelijk aan die van een werknemer met een auto van de zaak. De wetgever mag beide situaties dus verschillend behandelen.

Middelingsverzoek te laat ingediend

Middelingsverzoek te laat ingediend

De middelingsregeling is bedoeld als tegemoetkoming voor het progressienadeel dat optreedt bij sterk wisselende inkomens. Deze regeling houdt in dat de inkomens uit werk en woning (box 1) over drie aaneengesloten kalenderjaren worden samengeteld en gedeeld door drie. Aan de hand van het gemiddelde inkomen wordt vervolgens de belasting per jaar berekend. Als het verschil tussen de geheven inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen en de berekende inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen over de gemiddelde inkomens meer dan € 545 bedraagt, wordt het meerdere op verzoek teruggegeven. Kalenderjaren die eenmaal in een middeling zijn betrokken kunnen niet in een ander middelingsverzoek worden betrokken, tenzij de eerdere middelingsteruggaaf ongedaan is gemaakt.

Een verzoek om toepassing van de middelingsregeling moet binnen 36 maanden nadat de laatste aanslag over de drie kalenderjaren van het middelingstijdvak definitief vaststaat worden ingediend. Wanneer de aanslag over een jaar van het middelingstijdvak wordt verminderd door verrekening van een verlies uit een ander jaar, dan kan een verzoek om toepassing van de middelingsregeling ook nog worden gedaan binnen twee maanden na het tijdstip waarop de beschikking van verliesverrekening onherroepelijk is geworden. Als het verzoek later wordt ingediend hoeft de Belastingdienst het verzoek niet in behandeling te nemen.

Procedure
Onlangs heeft Hof Amsterdam geoordeeld in een procedure over een verzoek om toepassing van de middelingsregeling. Volgens het hof heeft de Belastingdienst in dit geval het verzoek terecht niet ontvankelijk verklaard. Het ging om een verzoek om middeling over de jaren 2005 tot en met 2007. Op het moment van indienen van het verzoek stonden de definitieve aanslagen over de betreffende jaren al meer dan drie jaar vast. Door verrekening van een verlies uit een later jaar werd de aanslag 2007 verminderd. Het middelingsverzoek had binnen zes weken nadat de verliesverrekeningsbeschikking onherroepelijk was geworden moeten zijn ingediend. De uiterste datum voor de indiening was 30 oktober 2014, maar het verzoek werd pas op 19 november 2014 door de Belastingdienst ontvangen. Een sluitende verklaring voor de te late indiening van het verzoek had de indiener niet. Daarom zag het hof geen aanleiding om de Belastingdienst op te dragen het verzoek in behandeling te nemen.

Proceskostenvergoeding in samenhangende zaken

Proceskostenvergoeding in samenhangende zaken

In belastingzaken kan een vergoeding voor de kosten van beroepsmatige rechtsbijstand worden verleend. In het Besluit proceskosten bestuursrecht is de regeling van de proceskostenvergoeding uitgewerkt. Daarin staat dat samenhangende zaken als één zaak worden beschouwd. Samenhangende zaken zijn zaken die door het bestuursorgaan of de rechter vrijwel gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon, terwijl zijn werkzaamheden in deze zaken nagenoeg identiek zijn. De gedachte achter deze regeling is het voorkomen dat een onredelijk hoge vergoeding wordt gegeven voor de werkzaamheden van de rechtsbijstandverlener in dergelijke zaken.

In iedere fase van de procedure – bezwaar, beroep, hoger beroep en cassatie – wordt afzonderlijk gekeken of sprake is van samenhangende zaken. Ook wanneer in een van de zaken, eventueel in een eerdere fase, een aanvullend geschilpunt aan de orde is, kunnen zaken als samenhangend worden aangemerkt. Bepalend daarvoor is dat de werkzaamheden van de rechtsbijstandverlener in de andere zaken nagenoeg identiek moeten zijn aan de werkzaamheden die hij voor het gemeenschappelijke punt van geschil heeft verricht in de zaak met het aanvullende geschilpunt. De beoordeling of de verrichte werkzaamheden nagenoeg identiek zijn, is beperkt tot de proceshandelingen zoals die in een bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn opgesomd.

Inhouding dividendbelasting

Inhouding dividendbelasting

De algemene vergadering van aandeelhouders is het orgaan van de vennootschap dat bevoegd is om een dividenduitkering vast te stellen. Het bestuur van de vennootschap moet zijn goedkeuring aan het besluit verlenen voordat tot uitkering mag worden overgegaan. Het bestuur weigert alleen dan om een besluit tot dividenduitkering goed te keuren wanneer de vennootschap na uitkering niet in staat is om haar schulden te betalen. Dividendbelasting moet worden ingehouden op het moment waarop het dividend ter beschikking is gesteld. Feitelijke uitbetaling van het dividend is geen voorwaarde voor de inhouding van dividendbelasting.

Een bv beriep zich in een procedure op de nietigheid van het besluit tot dividenduitkering. Die nietigheid zou berusten op het feit dat het besluit niet in de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders was vastgelegd. Die vastlegging is volgens de rechtbank geen vereiste voor een rechtsgeldige dividenduitkering. Bepalend is of het eigen vermogen en de vrije reserves van de bv voldoende waren om het dividend uit te keren zonder in strijd te komen met de wet of met de statuten van de bv. Aan die eis was voldaan. De bestuurder van de bv had ingestemd met de dividenduitkering en had de aangifte dividendbelasting namens de bv ondertekend. Naar het oordeel van de rechtbank was het besluit tot uitkering van dividend rechtsgeldig. De gevraagde teruggave van dividendbelasting werd niet verleend. De vraag of nietigheid van het besluit tot dividenduitkering tot gevolg zou hebben dat achteraf bezien geen sprake was van dividend, is onbeantwoord gebleven.

Overbruggingsregeling transitievergoeding

Overbruggingsregeling transitievergoeding

Bij ontslag op initiatief van de werkgever moet hij de ontslagen werknemer een transitievergoeding betalen. De hoogte van de vergoeding is gerelateerd aan de lengte van het dienstverband. Heeft het dienstverband nog geen twee jaar geduurd, dan hoeft geen transitievergoeding te worden betaald. Kleine werkgevers kunnen onder voorwaarden een beroep doen op de overbruggingsregeling transitievergoeding. Met toepassing van de overbruggingsregeling hoeft een werkgever bij ontslag van een werknemer niet de volledige transitievergoeding te betalen maar slechts een beperkte vergoeding. Een van de voorwaarden voor de toepassing van de overbruggingsregeling was dat de werkgever in de drie boekjaren, die voorafgaan aan het boekjaar waarin de arbeidsovereenkomst van een werknemer eindigt, verlies heeft geleden. Deze voorwaarde is per 1 juli 2016 in die zin aangepast dat de referentieperiode bestaat uit de jaren die aan het jaar waarin de ontslagvergunning wordt aangevraagd voorafgaan. De overbruggingsregeling mag alleen worden toegepast nadat het UWV een daartoe strekkende verklaring heeft afgegeven. Deze verklaring is geen beschikking waartegen bezwaar en beroep openstaan.

Een werkgever verzocht in 2015 het UWV om ontslagvergunningen voor enkele personeelsleden om bedrijfseconomische redenen. De werkgever diende ook een verzoek in om de overbruggingsregeling transitievergoeding voor kleine werkgevers toe te mogen passen. Het UWV verleende toestemming om de arbeidsovereenkomsten op te zeggen, maar weigerde een verklaring voor de overbruggingsregeling af te geven omdat de werkgever niet aan de voorwaarden voldeed. Uitgaande van ontslag in 2015 bestond de referentieperiode uit de jaren 2012 tot en met 2015. In 2012 had de werkgever nog een positief resultaat behaald.

Door de arbeidsovereenkomst van een van de werknemers op te zeggen met een langere opzegtermijn dan wettelijk vereist was, viel het einde van deze overeenkomst in 2016 in plaats van in 2015. De werkgever probeerde op die manier de referentieperiode te verschuiven naar de jaren 2013 tot en met 2015 om in aanmerking te komen voor de overbruggingsregeling. Naar het oordeel van het gerechtshof was de referentieperiode daardoor inderdaad verschoven. Toch stond het gerechtshof de werkgever niet toe om de overbruggingsregeling toe te passen. De reden voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst was de slechte economische positie van de werkgever. In een dergelijke situatie is het niet redelijk om de opzegtermijn langer te maken dan strikt noodzakelijk met geen ander doel dan toepassing van de overbruggingsregeling mogelijk te maken. De werknemer had recht op betaling van de volledige transitievergoeding.

Hypotheekschuld dubbel verwerkt in aangifte

Hypotheekschuld dubbel verwerkt in aangifte

De Belastingdienst heeft de bevoegdheid om te weinig geheven belasting te corrigeren door het opleggen van een navorderingsaanslag. Om van die bevoegdheid gebruik te mogen maken moet de Belastingdienst wel beschikken over een nieuw feit. Dat is een feit dat de Belastingdienst ten tijde van het opleggen van de oorspronkelijke aanslag niet bekend was en ook niet bekend hoefde te zijn.

Iemand met een eigenwoningschuld van € 650.000 verwerkte deze schuld in de aangiften inkomstenbelasting niet alleen in box 1 bij de inkomsten uit eigen woning, maar ook in box 3. De inspecteur volgde de aangiften. Enkele jaren later kwam de inspecteur erachter dat dezelfde schuld tweemaal in de aangiften was opgenomen en legde hij navorderingsaanslagen op. De rechtbank vond dat de inspecteur in een van de betreffende jaren een nader onderzoek had moeten instellen. In de aangifte over dat jaar was bij beide schuldbedragen hetzelfde bedrag en hetzelfde rekeningnummer vermeld. Dat had de inspecteur aan de juistheid van deze gegevens moeten laten twijfelen. In hoger beroep voerde de inspecteur aan dat gezien de WOZ-waarde van de woning het niet onwaarschijnlijk was dat er twee hypotheekschulden waren, waarvan er een niet voor de eigen woning was besteed en daarom in box 3 was opgenomen. Het hof deelde de opvatting van de inspecteur en oordeelde dat de inspecteur beschikte over een nieuw feit. Navordering was over alle jaren toegestaan.

Eén of meer prestaties?

Eén of meer prestaties?

Voor de omzetbelasting geldt dat iedere prestatie afzonderlijk moet worden beschouwd. Onder omstandigheden kunnen afzonderlijke prestaties als één enkele handeling worden aangemerkt. Dat doet zich voor wanneer zij zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één enkele en ondeelbare economische prestatie vormen, waarvan splitsing kunstmatig zou zijn. Ook wanneer sprake is van een hoofdprestatie en een of meer bijkomende prestaties wordt het geheel als één prestatie aangemerkt. Het belang van het aanmerken als één prestatie is gelegen in het tarief dat op de prestatie van toepassing is. Wanneer op alle onderdelen hetzelfde tarief van toepassing is, ontbreekt het belang.

Een organisator van obstacle runs verstrekte als tegenprestatie voor het inschrijfgeld aan de deelnemers ook een shirt met opdruk en een drankje bij de finish. Het shirt werd als wedstijdshirt aangemerkt. Volgens de algemene voorwaarden waren de deelnemers verplicht om het wedstrijdshirt te dragen tijdens het evenement, maar controle daarop vond niet plaats. Het shirt was niet lost te koop.

De deelname aan een sportevenement valt onder het lage tarief voor de omzetbelasting. De levering van kleding en de verstrekking van een drankje valt onder het normale tarief. De wedstrijdorganisator merkte de gecombineerde levering aan als één ondeelbare prestatie, die in zijn geheel onder het lage tarief viel. De rechtbank deelde deze opvatting niet. In de praktijk droegen de deelnemers het shirt niet tijdens de deelname en werd het achteraf uitgereikt. Nodig voor deelname was het dus niet. Dat gold ook voor het drankje bij de finish. De rechtbank paste de hoofdregel, dat elke prestatie zelfstandig moet worden beschouwd, in dit geval toe.

Volgens de rechtbank waren de levering van het wedstrijdshirt en het drankje geen bijkomende prestaties bij deelname. Een prestatie is bijkomend wanneer zij voor de afnemer geen doel op zich is, maar een middel om de hoofdprestatie aantrekkelijker te maken. Zowel de levering van het shirt als de levering van het drankje was volgens de rechtbank voor de deelnemers een doel op zich. Beide prestaties hebben zelfstandig een nuttige functie die losstaat van het meedoen aan de obstacle run. De levering van het shirt en van het drankje waren belast tegen het algemene tarief en deelden niet in het lage tarief van deelname aan de obstacle run.