Archief van november 2016

Investeringsaftrek

Investeringsaftrek

Er bestaan diverse regelingen om investeringen in bedrijfsmiddelen te stimuleren. Het gaat om een algemene regeling, namelijk de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) en twee bijzondere regelingen, de energie-investeringsaftrek (EIA) en de milieu-investeringsaftrek (MIA).

Recht op KIA hebben ondernemers voor investeringen in bedrijfsmiddelen tussen € 2.300 en € 311.242. Er geldt een minimuminvesteringsbedrag per bedrijfsmiddel van € 450. U krijgt geen KIA over investeringen in woonhuizen, zaken die zijn bestemd voor de verhuur, personenauto’s, goodwill, concessies en vergunningen.

Tip! U kunt de KIA optimaliseren door bepaalde investeringen uit te stellen tot na de jaarwisseling of juist naar voren te halen.

Bij vervreemding van bedrijfsmiddelen waarvoor u KIA hebt gehad binnen vijf jaar na de aanvang van het kalenderjaar van aanschaf, vindt een correctie op de eerdere aftrek plaats door een desinvesteringsbijtelling.

Tip! Het kan zinvol zijn de verkoop uit te stellen tot na de jaarwisseling.

Recht op EIA is er bij investeringen in bepaalde energiebesparende bedrijfsmiddelen. De EIA bedraagt 58% van het investeringsbedrag. Het maximale investeringsbedrag waarover aftrek wordt verleend bedraagt € 120 miljoen.

MIA geldt voor investeringen in bedrijfsmiddelen die zijn opgenomen in de MIA/Vamillijst. Deze lijst wordt ieder jaar gewijzigd. Wilt u zeker zijn dat u met uw investering in aanmerking komt voor MIA dan moet u nog dit jaar investeren. De hoogte van de MIA is afhankelijk van de categorie waarin het bedrijfsmiddel is ingedeeld. Voor categorie I is de aftrek 36%, voor categorie II 27% en voor categorie III 13,5%.

Tip! Wie voordelig wil rijden in een auto van de zaak koopt nog dit jaar een elektrische auto of een plug-in hybride.

Voor EIA en MIA geldt een minimum investeringsbedrag per bedrijfsmiddel van € 2.500.

Let op! U moet uw aanvragen voor EIA, MIA en Vamil binnen drie maanden na het aangaan van investeringsverplichtingen hebben ingediend bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Herinvesteringsreserve

Herinvesteringsreserve

Belastingheffing over de boekwinst bij de verkoop van een bedrijfsmiddel kunt u uitstellen door de vorming van een herinvesteringsreserve. Deze reserve wordt afgeboekt op de kostprijs van nieuwe investeringen. Uiterlijk aan het einde van het derde jaar na het jaar van de verkoop moet u de reserve hebben benut. Zo niet, dan moet u alsnog ineens belasting over de boekwinst betalen. Een in 2013 gevormde reserve valt dus aan het einde van 2016 vrij. Tijdens het bestaan van de reserve moet u een concreet voornemen tot herinvestering hebben. Onder bijzondere omstandigheden kan de termijn van drie jaar worden verlengd, als er ten minste een begin van uitvoering aan het voornemen tot herinvestering is gegeven. U moet dat wel kunnen bewijzen!

Tip! Leg uw herinvesteringsvoornemen nog voor de jaarwisseling vast.

Staatssecretaris verzacht overgang van VAR naar Wet DBA

Staatssecretaris verzacht overgang van VAR naar Wet DBA

De vervanging van de VAR door de Wet DBA heeft voor veel ophef gezorgd. Opdrachtgevers huren geen of veel minder zzp’ers in en zzp’ers worden geconfronteerd met minder opdrachten en teruglopende inkomsten. Om de bestaande onzekerheid weg te nemen heeft de staatssecretaris van Financiën toegezegd dat de handhaving van de wet door de Belastingdienst in ieder geval tot 1 januari 2018 wordt opgeschort. Bij de invoering van de Wet DBA was toegezegd dat het eerste jaar, dus tot 1 mei 2017, wel zou worden gecontroleerd op naleving maar niet zou worden gehandhaafd.

Invoering Wet DBA
Door de invoering van de Wet DBA is duidelijk geworden dat onder de werking van de VAR mensen buiten dienstbetrekking werkten terwijl hun arbeidsverhouding alle kenmerken had van een dienstbetrekking. Door de vrijwarende werking van de VAR had dat voor de opdrachtgever geen consequenties. In die gevallen heeft de Wet DBA zijn werk gedaan. Een onbedoelde consequentie van de Wet DBA is dat echte ondernemers niet meer worden ingehuurd, omdat opdrachtgevers bang zijn om met naheffingen en boetes geconfronteerd te worden. De Belastingdienst heeft medio oktober het Meldpunt DBA geopend. In een maand tijd zijn daar 1.800 meldingen binnen gekomen. Uit deze meldingen kan worden afgeleid dat de praktijk moeite heeft met het onderscheid tussen ondernemerschap en dienstbetrekking en dat de huidige arbeidswetgeving als knellend wordt ervaren.

Onderscheid tussen ondernemerschap en dienstbetrekking
Het verschil tussen ondernemerschap en dienstbetrekking wordt bepaald door de regels van het Burgerlijk Wetboek en de uitleg van die regels in de rechtspraak. De uitkomst van de toetsing van een arbeidsverhouding aan deze regels strookt in een aantal gevallen niet met de opvatting die opdrachtgevers en opdrachtnemers hebben van hun arbeidsverhouding.

Zo komt het voor dat een arbeidsverhouding niet als dienstbetrekking wordt aangemerkt omdat de opdrachtnemer zich kan laten vervangen door een ander zonder toestemming van de opdrachtgever. Ook komt voor dat door het bestaan van een gezagsverhouding mensen in dienstbetrekking werkzaam zijn, terwijl het gaat om professionals met een werkpraktijk die neerkomt op zelfstandige beroepsbeoefening.

In overleg met de ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Veiligheid en Justitie gaat de staatssecretaris onderzoeken of de criteria “vrije vervanging” en “gezagsverhouding” aangepast moeten worden om beter aan te sluiten bij de huidige opvattingen van een arbeidsverhouding.

Knellende arbeidswetgeving
Groot knelpunt in de arbeidswetgeving is het gebrek aan flexibiliteit. Dat speelt met name in de zogenaamde flexibele schil. Opdrachtgevers werken met arbeidskrachten met wie ze geen vast dienstverband willen aangaan en die soms ook zelf geen vast dienstverband willen. Werken met tijdelijke contracten wordt bemoeilijkt door de ketenbepaling. Met de invoering van de Wet werk en zekerheid is de ketenbepaling aangepast, waardoor sneller een vast dienstverband ontstaat. De staatssecretaris is van mening dat er meer flexibiliteit binnen de arbeidswetgeving moet komen wanneer een sector daar behoefte aan heeft. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is bereid om op verzoek van de sociale partners de ketenbepaling te verruimen.

Modelovereenkomsten
De staatssecretaris gaat zorgen voor meer duidelijkheid over de vraag wanneer het nodig is om een (model)overeenkomst te gebruiken en wanneer niet. Verder bereidt hij een beleidsbesluit voor waarin wordt uitgelegd hoe de Belastingdienst omgaat met modelovereenkomsten. Bij de algemene overeenkomsten komt een bijsluiter om duidelijk te maken in welke gevallen deze kunnen worden toegepast.

Wetsvoorstellen Belastingplan 2017 c.s. aangenomen door Tweede Kamer

Wetsvoorstellen Belastingplan 2017 c.s. aangenomen door Tweede Kamer

De Tweede Kamer heeft de wetsvoorstellen, die samen het Belastingplan 2017 vormen, aangenomen. Naast het Belastingplan 2017 zelf gaat het om de Wet Overige fiscale maatregelen 2017, de Fiscale vereenvoudigingswet 2017, de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen en de Wet tijdelijk verlaagd tarief laadpalen met een zelfstandige aansluiting.

Bij de behandeling van het eigenlijke Belastingplan 2017 zijn drie amendementen aangenomen. Het eerste amendement zorgt ervoor dat de verhoging van het tarief van de afvalstoffenbelasting met € 1,15 per 1.000 kilogram per 1 januari 2017 niet doorgaat. De verhoging was het gevolg van het op nul zetten van de exportheffing. De maatregel wordt bekostigd door verlaging van de energie-investeringsaftrek (EIA) per 1 januari 2017 met 2%.

Het tweede amendement betreft het toevoegen van activiteiten met betrekking tot niet-chemische gewasbeschermingsmiddelen aan de innovatiebox. Ook dit amendement heeft een verlaging van de EIA tot gevolg, in dit geval met 0,5%.

Het derde amendement betreft een voordelige behandeling van aandelenopties voor werknemers van innovatieve startende bedrijven. Deze regeling gaat in per 1 januari 2018. Tot een bedrag van € 50.000 aan opties wordt slechts 75% daarvan als loon aangemerkt. De rest is vrijgesteld. De werknemer moet de aandelenopties hebben gekregen van een werkgever die op het moment van toekenning van de opties een S&O-verklaring voor starters had. De maatregel wordt gefinancierd door een verlaging van de EIA per 1 januari 2018 met 0,5%.

Bij de behandeling van de Overige Fiscale Maatregelen 2017 is een amendement aangenomen. Dat amendement regelt dat mensen een oude spaar- of beleggingshypotheek vervroegd geheel of gedeeltelijk kunnen aflossen met het gespaarde of belegde vermogen. Nu moeten zij ten minste 15 jaar wachten voordat gebruik gemaakt kan worden van een vrijstelling van inkomstenbelasting voor het gespaarde of belegde vermogen. Alleen bij verhuizing kan nu vervroegd worden afgelost zonder belastingheffing over de uitkering. Door het amendement wordt het mogelijk om per jaar 10% af te lossen en het restant ineens wanneer het gespaarde of belegde vermogen gelijk is aan de resterende hypotheekschuld zonder heffing van inkomstenbelasting over het gespaarde of belegde vermogen. Ook wordt gehele aflossing aan het einde van een rentevrije periode mogelijk. Dit wordt geregeld door niet langer de eis te stellen dat ten minste 15 of 20 jaar jaarlijks premie moet zijn betaald. De lage vrijstelling na 15 jaar premiebetaling vervalt. Voor de hoge vrijstelling volstaat dat vanaf de aanvang van de verzekering jaarlijks premie is voldaan binnen de geldende bandbreedte-eis. De indieners van het amendement verwachten dat de staatssecretaris van Financiën de Kamer voor 1 februari 2017 bericht over de inwerkingtreding van deze regeling.

Overgangsrecht verhoogde schenkingsvrijstelling

Overgangsrecht verhoogde schenkingsvrijstelling

In de Tweede Kamer is bij de behandeling van het Belastingplan 2017 het overgangsrecht voor de verhoogde schenkingsvrijstelling voor de eigen woning uitgebreid aan de orde geweest. Dat is opmerkelijk, want de verhoogde vrijstelling en het bijbehorende overgangsrecht zijn al geregeld bij het Belastingplan 2016.

Verruiming schenkingsvrijstelling

Met ingang van 2017 wordt de verhoogde vrijstelling van schenkbelasting voor schenkingen die worden besteed aan de eigen woning verruimd. Dan kan een bedrag van € 100.000 belastingvrij worden geschonken. Momenteel kan maximaal € 53.016 belastingvrij worden geschonken ten behoeve van de eigen woning. Er is voorzien in overgangsrecht, waardoor het mogelijk is om eerder onder de vrijstelling gedane schenkingen aan te vullen tot € 100.000. Dat overgangsrecht geldt echter niet in alle gevallen.

Overgangsrecht

Met ingang van 2010 geldt een extra verhoogde vrijstelling voor een schenking ten behoeve van de eigen woning. Wanneer voor het jaar 2010 een schenking is gedaan met een beroep op de toen geldende eenmalig verhoogde vrijstelling, kan de verruimde vrijstelling in 2017 worden benut. Wel wordt het bedrag van € 100.000 dan verminderd met het bedrag van de algemene verhoogde vrijstelling van € 25.449. Is echter in aanvulling op de eerdere schenking in de jaren 2010 tot en met 2016 een beroep gedaan op de extra verhoogde vrijstelling voor de eigen woning, dan is de vanaf 2017 geldende verruimde vrijstelling niet van toepassing.

Is in de jaren 2010 tot en met 2014 een beroep gedaan op de verhoogde vrijstelling voor de eigen woning, dan kan de extra verhoging niet worden benut in 2017 of daarna.

De extra verhoging kan in 2017 of in 2018 wel worden benut als in 2015 of in 2016 een beroep is gedaan op de verhoogde vrijstelling voor een schenking voor de eigen woning. De verruiming is in die gevallen beperkt tot het verschil tussen € 100.000 en de huidige verhoogde vrijstelling van € 53.016. Er kan dus in de jaren 2017 of 2018 nog € 46.984 aanvullend belastingvrij worden geschonken.

Vragen en opmerkingen

Een van de vragen, die aan de staatssecretaris van Financiën over het overgangsrecht zijn gesteld, is waarom hij niet heeft gekozen voor vermindering van de vrijstelling voor de eigen woning van € 100.000 met vóór 1 januari 2017 van dezelfde schenker ontvangen schenkingen waarop een verhoogde vrijstelling schenkbelasting is toegepast. Volgens de staatssecretaris kost dit te veel geld. Naar schatting gaat het om een bedrag van € 250 miljoen.

De staatssecretaris merkt op dat een structurele regeling waarbij de vrijstelling van schenkbelasting voor de eigen woning wordt verminderd met eerdere schenkingen onder de verhoogde vrijstelling neerkomt op een periodevrijstelling en niet langer als een eenmalige verhoogde vrijstelling is aan te merken. Als alternatief voor een uitbreiding van het overgangrecht wijst de staatssecretaris op de mogelijkheid om in een reeks van jaren gebruik te maken van de reguliere vrijstelling van ruim € 5.000 voor kinderen. Op die manier kunnen ook flinke bedragen belastingvrij geschonken worden.

De staatssecretaris voelt niets voor de suggestie om kinderen, die in 2013 of 2014 nog geen eigen woning hadden en daardoor in die jaren alleen gebruik hebben kunnen maken van de reguliere verhoogde vrijstelling, alsnog de mogelijkheid te geven om maximaal € 100.000 aan vrijstelling te kunnen benutten. Eerder heeft de staatssecretaris al opgemerkt dat het de keuze van deze kinderen is geweest om gebruik te maken van de reguliere verhoogde vrijstelling van afgerond € 25.000. Dat roept de vraag op in hoeverre de kinderen een schenking door hun ouders (hebben) kunnen sturen.

Tot slot merkt de staatssecretaris op dat de tekst van de wet bepaalt dat de schenkingsvrijstelling geldt voor iemand tussen 18 en 40 jaar. Dat wordt zodanig uitgelegd dat de vrijstelling ook nog kan worden benut voor een schenking die plaatsvindt op de veertigste verjaardag.

Aftrek scholingsuitgaven houdt geen leeftijdsdiscriminatie in

Aftrek scholingsuitgaven houdt geen leeftijdsdiscriminatie in

Scholingsuitgaven zijn aftrekbaar in de inkomstenbelasting. Het totale bedrag aan scholingsuitgaven moet meer bedragen dan € 500. Scholingsuitgaven zijn niet aftrekbaar voor zover het totale bedrag uitkomt boven € 15.000. Iemand die jonger is dan 30 jaar kan een periode van maximaal vijf aaneengesloten jaren aanwijzen waarin de scholingsuitgaven onbeperkt aftrekbaar zijn. Gedurende deze periode moet de voor werk beschikbare tijd grotendeels besteed worden aan een opleiding met een studielast die geen volledige baan naast de studie toestaat.

Het Hof van Justitie EU is van oordeel dat deze regeling geen leeftijdsdiscriminatie inhoudt. De Hoge Raad had die vraag voorgelegd aan het Hof van Justitie EU in de zaak van een 32-jarige piloot in opleiding. In 2009 claimde hij een aftrek van € 44.057 aan scholingsuitgaven. De Belastingdienst beperkte de aftrek tot het maximum van € 15.000.
Volgens het Hof van Justitie EU zijn verschillen in behandeling op grond van leeftijd toelaatbaar als er een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor bestaat. De achtergrond van de ruimere aftrek van scholingsuitgaven is het streven naar verbetering van de positie van jongeren op de arbeidsmarkt. Dat streven geldt als een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor een verschil in behandeling.

Staatssecretaris kondigt reparatie aftrek kosten werkkamer in huurwoning aan

Staatssecretaris kondigt reparatie aftrek kosten werkkamer in huurwoning aan

De Hoge Raad heeft onlangs geoordeeld dat een huurrecht van een woning met een werkruimte ondernemingsvermogen kan zijn als de woning voor meer dan 10% zakelijk wordt gebruikt. Dit arrest heeft niet alleen gevolgen voor ondernemers, maar ook voor mensen die resultaat uit overige werkzaamheden genieten, zoals freelancers. Dit arrest is geen aanleiding voor andere ondernemers om hun eerder gemaakte en vaststaande keuze voor ondernemingsvermogen of privévermogen te herzien.

De staatssecretaris vindt dat het arrest van de Hoge Raad ongewenste gevolgen heeft. Daarom zal hij via een nota van wijziging bij het Belastingplan 2017 de behandeling van een werkruimte in een huurwoning in lijn brengen met de behandeling van een werkruimte in een koopwoning. Ondernemers en resultaatgenieters worden dan materieel hetzelfde behandeld, ongeacht of zij in een koop- of een huurwoning wonen. De opbrengst van die maatregel zal worden gebruikt om het aftrekpercentage van bepaalde gemengde kosten te verhogen.

Deelname omzetbelastingfraude verhindert toepassing vertrouwensbeginsel

Deelname omzetbelastingfraude verhindert toepassing vertrouwensbeginsel

Een ondernemer, die wist of had moeten weten dat hij deelnam aan omzetbelastingfraude in een keten van leveringen of diensten, heeft geen recht op aftrek of teruggaaf van daarmee samenhangende omzetbelasting. Wanneer komt vast te staan dat de ondernemer wist of had moeten weten dat hij betrokken was bij omzetbelastingfraude kan hij ook geen beroep doen op het vertrouwensbeginsel. Dat betekent dat de inspecteur omzetbelasting mag naheffen wanneer hij aanvankelijk op grond van door de ondernemer verstrekte informatie de aftrek daarvan heeft toegestaan. Het is niet van belang of de ondernemer zelf met die omzetbelastingfraude voordeel heeft behaald.

Hof Den Haag heeft ten onrechte de aan een ondernemer opgelegde naheffingsaanslagen omzetbelasting vernietigd. De naheffingsaanslagen hadden betrekking op eerdere teruggaven aan een ondernemer die de verleggingsregeling toepaste. Op de door hem ingekochte diensten was ook de verleggingsregeling van toepassing. Zijn leveranciers hadden omzetbelasting berekend, die de ondernemer in aftrek bracht. De berekende omzetbelasting droegen de leveranciers echter niet af. Na een onderzoek stond vast dat het om fraude ging. Het hof vond dat de ondernemer aan de gang van zaken bij de teruggaaf het vertrouwen kon ontlenen dat de inspecteur niet zou naheffen. De ondernemer had de inspecteur voorafgaand aan de teruggaaf informatie verstrekt. Die informatie was niet onjuist en niet onvolledig. Volgens de Hoge Raad berust het oordeel van het hof ofwel op een onjuiste rechtsopvatting, ofwel is het onvoldoende gemotiveerd.

Schenking op papier heeft soms ongewenste gevolgen

Schenking op papier heeft soms ongewenste gevolgen

Een schenking kan niet alleen worden gedaan door geld of goederen te overhandigen, maar ook “op papier”. Dat gebeurt door bedragen schuldig te erkennen en over het schuldig gebleven bedrag rente te betalen. Een schenking op papier kan in een onderhandse akte of in een notariële akte worden vastgelegd. Schenkingen op papier zijn populair omdat de schenker kan blijven beschikken over het geschonken bedrag. Toch zit er een keerzijde aan schenkingen op papier. Het Burgerlijk Wetboek bepaalt namelijk dat een schenking vervalt als de schenker overlijdt en de bedoeling is dat de schenking pas na het overlijden van de schenker zal worden uitgevoerd. Op die bepaling geldt een uitzondering voor een schenking die door de schenker persoonlijk is aangegaan en in een notariële akte is vastgelegd. Wanneer de schenking vervalt, wordt bij de berekening van erfbelasting over de nalatenschap geen rekening gehouden met de schulden uit hoofde van de schenking op papier.

De vraag in een procedure was of schenkingen op papier de nalatenschap van de schenker verminderden. De erfgenamen, kinderen van de schenker, meenden dat dit het geval was. Zij moesten aannemelijk maken dat de schenkingen niet waren bedoeld om pas na het overlijden van de schenker te worden uitgevoerd. Volgens de rechtbank werd niet aan de bewijslast voldaan. De vorderingen van de kinderen waren direct opeisbaar, maar de schenker had onvoldoende geld om de schulden te voldoen. Wel had de schenker onroerende zaken, maar in de schenkingsakten stond niets over het voornemen of pogingen tot verkoop daarvan. De rechtbank vond van belang dat in de schenkingsakten stond dat de schenker het recht had om de schenkingen te herroepen zonder opgaaf van reden. In hoger beroep bevestigde het hof het oordeel dat de inspecteur de schuldig gebleven schenkingen terecht niet in mindering heeft gebracht op de nalatenschap.