Archief van oktober 2016

Nieuwsbrief Drechtsteden Accountants en Adviseurs

Onze meest recente nieuwsbrief bevat nieuwsfeiten vanuit de belastingplannen en is ook qua lay-out vernieuwd.

Uiteraard bevelen wij u aan de hele nieuwsbrief te lezen.
Belangrijke zaken die komende maanden voor einde jaar naar onze mening minimaal aandacht verdienen zijn:
• goede investeringsplanning voor optimale investeringsaftrek
• beoordeling pensioenvoorziening in eigen beheer voor DGA met onder andere stopzetten voor 1 januari
• als u monumentenwoning heeft, de kostenaftrek vervalt in 2017
• de rendementsheffing in box 3 gaat vanaf volgend jaar omhoog

Voor vragen kunt u altijd contact met ons opnemen via telefoonnummer 078-8907289

Wij verwijzen u graag naar de bijlage: drechtsteden-nieuwsbrief

Mogelijke aanpassingen box 3

Mogelijke aanpassingen box 3

De staatssecretaris van Financiën heeft een brief naar de Tweede Kamer gestuurd over de belastingheffing in box 3. Er is onderzocht of en in hoeverre de ombouw naar een heffing op het werkelijk behaalde rendement mogelijk is. De voorlopige conclusie is dat het mogelijk is om bij de belastingheffing een betere benadering van het werkelijke rendement als grondslag te hanteren. Wel zal het altijd om een hybride stelsel gaan, met andere woorden, slechts voor een deel zal het gaan om een heffing op werkelijke rendementen en voor het restant om een heffing over een forfaitaire benadering van het werkelijke rendement. De staatssecretaris waarschuwt voor een toename van de risico’s van belastingontwijking en van de complexiteit. Wel lijkt een dergelijk stelsel uitvoerbaar, mits gegevens volledig, juist en tijdig geautomatiseerd worden aangeboden.

Voor de belastingheffing over het werkelijke rendement zijn twee systemen denkbaar. Het gaat om een vermogenswinstbelasting en een vermogensaanwasbelasting. Vermogensaanwasbelasting betekent dat bijvoorbeeld de koersstijging van een aandeel wordt belast, ook als de koersstijging niet door verkoop van het aandeel is gerealiseerd. Bij een vermogenswinstbelasting wordt de koersstijging pas belast als deze gerealiseerd is, dus in beginsel bij verkoop. Ook de gegevens die nodig zijn voor de heffing verschillen per systeem. Voor een vermogensaanwasbelasting zijn alleen gegevens nodig over het belastingjaar. Bij een vermogenswinstbelasting moet het aankoopbedrag bewaard worden tot het vermogensbestanddeel wordt verkocht.

De staatssecretaris beschrijft twee mogelijke varianten in zijn brief. De eerste variant heeft een vermogensaanwasbelasting als uitgangspunt en ziet er als volgt uit:

  • bank-, spaartegoeden en overige vorderingen: werkelijke rente wordt belast;
  • aandelen, obligaties en derivaten: de vermogensaanwas wordt belast, dus de koerswinst, de rente en de dividenden van dat jaar;
  • onroerende zaken en overig vermogen: het belastbaar inkomen wordt forfaitair bepaald;
  • het heffingvrije vermogen wordt omgezet in een heffingvrije voet voor de werkelijke inkomsten uit vermogen.

De tweede variant is in de basis een vermogenswinstbelasting en ziet er als volgt uit:

  • bank-, spaartegoeden en overige vorderingen: werkelijke rente wordt belast;
  • aandelen, obligaties en derivaten: werkelijke rente en dividenden worden belast; vermogenswinst wordt belast bij realisatie, bij voorbeeld door verkoop;
  • onroerende zaken en overig vermogen: het belastbaar inkomen wordt forfaitair bepaald;
  • het heffingvrije vermogen wordt omgezet in een heffingvrije voet voor de werkelijke inkomsten uit vermogen.

Er is een derde variant, die sneller lijkt te kunnen worden ingevoerd dan de eerste twee en toch beter aansluit bij het werkelijke rendement dan de tussenstap die in 2017 in werking treedt. In deze variant wordt het rendement voor elke vermogenscategorie achteraf forfaitair vastgesteld. Het vermogen van de belastingbetaler wordt gesplitst in spaargeld, aandelen, obligaties, onroerende zaken en overig vermogen. Over de waarde van de bestanddelen in een categorie wordt het gemiddelde rendement van die categorie van het verstreken jaar toegepast. Ontwijking van belastingheffing door te schuiven in de vermogensmix wordt op die manier minder aantrekkelijk. Ook in deze variant wordt het heffingvrije vermogen omgezet in een heffingvrije voet voor de forfaitaire inkomsten uit vermogen.

De staatssecretaris wil in overleg met de Tweede Kamer komen tot een variant die in een wetsvoorstel zal worden uitgewerkt. Dat wetsvoorstel zou in het voorjaar van 2018 ter consultatie kunnen worden voorgelegd en in het najaar van 2018 worden ingediend bij het parlement.

Dienstbetrekking gefingeerd om uitkering te verkrijgen

Dienstbetrekking gefingeerd om uitkering te verkrijgen

Een arbeidsverhouding is een privaatrechtelijke dienstbetrekking wanneer is voldaan aan de volgende vereisten:

  • er is de verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid,
  • er is een gezagsverhouding, en
  • er is de verplichting tot het betalen van loon.

Bij de beoordeling van een arbeidsrelatie moet met alle omstandigheden van het geval rekening worden gehouden. Het kan zijn dat wat als een dienstbetrekking wordt gepresenteerd dat in werkelijkheid niet is. In het verleden gold als vaste rechtspraak dat door het ontbreken van een gezagsverhouding een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen echtgenoten niet aannemelijk is. Dat geldt niet meer. Ook in een arbeidsrelatie tussen (ex-)echtgenoten kan een gezagsverhouding bestaan. De familierelatie is wel een element dat in de beoordeling betrokken dient te worden.

Het UWV vorderde de uitkering op grond van de Wet Arbeid en Zorg (WAZO) terug van een vrouw die twee keer kort voor een bevalling een arbeidsovereenkomst sloot met een bv van haar echtgenoot. De eerste arbeidsovereenkomst was pas ingegaan nadat de WAZO-uitkering was aangevraagd. Beide dienstverbanden waren voor onbepaalde tijd afgesloten maar al in de uitkeringsperiode beëindigd. Tijdens het bevallingsverlof was geen vervanging geregeld. Na de beëindigingen van de dienstverbanden is geen ander personeel geworven. Bewijs dat de vrouw voor de bv had gewerkt was er niet. Een omschrijving van haar werkzaamheden kon zij alleen in algemene termen geven. Naar het oordeel van de Centrale Raad van Beroep betrof het gefingeerde dienstverbanden. Het UWV heeft terecht de WAZO-uitkeringen herzien en teruggevorderd.

Weer Kamervragen over beoordeling arbeidsrelatie

Weer Kamervragen over beoordeling arbeidsrelatie

De onzekerheid over de uitvoering van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA) blijft ook de Tweede Kamer bezighouden. Deze onzekerheid heeft geleid tot een nieuwe reeks vragen aan de staatssecretaris van Financiën. Directe aanleiding is een video van de Belastingdienst waarin wordt gezegd dat werken via een bv niet de oplossing is om buiten loondienst bij een opdrachtgever te werken. Ook in die gevallen zal de arbeidsverhouding met de opdrachtgever worden beoordeeld op loondienstaspecten. Echte ondernemers die via een eigen bv werken hoeven zich geen zorgen te maken.

De staatssecretaris herhaalt dat de DBA geen wijziging heeft gebracht in de definitie van werknemer of van ondernemer. Door de invoering van de DBA is wel duidelijk geworden dat in het verleden situaties van werknemerschap door een onjuiste VAR als werkzaamheden buiten loondienst zijn aangemerkt. Zzp’ers en werknemers kunnen prima samenwerken aan eenzelfde klus, maar dan moet de zzp’er wel op basis van andere afspraken en voorwaarden werken. Een zzp’er die als vervanger van of in aanvulling op eigen personeel van de opdrachtgever wordt ingehuurd en onder dezelfde voorwaarden en omstandigheden werkt als het eigen personeel, zal in de meeste gevallen in dienstbetrekking werkzaam zijn. Dat was al zo onder de VAR.

Overigens hoeven opdrachtnemers die volgens een modelovereenkomst werken geen ondernemer te zijn. Voor de inkomstenbelasting kan ook sprake zijn van resultaat uit overige werkzaamheden in plaats van ondernemerschap.

Invoering meldpunt
De staatssecretaris heeft toegezegd dat er een meldpunt komt om onvoorziene en ongewenste gevolgen van de Wet DBA in kaart te brengen. Het meldpunt wordt in de week van 17 oktober ingesteld. Door het invullen van een formulier op het internet kunnen mensen hun problemen met de Wet DBA melden. Om de informatie goed te kunnen analyseren zal gebruik gemaakt worden van de mogelijkheid om gerichte informatie te vragen over de situatie van de melder.

Werkzaamheden in vof niet hoofdzakelijk ondersteunend

Werkzaamheden in vof niet hoofdzakelijk ondersteunend

Een ondernemer heeft recht op de zelfstandigenaftrek als hij in een jaar aan het urencriterium voldoet. Dat is het geval wanneer hij ten minste 1.225 uren en meer dan 50% van zijn tijd aan zijn onderneming besteedt. De tijd die een ondernemer besteedt aan werkzaamheden van ondersteunende aard in een samenwerkingsverband met een verbonden persoon telt niet mee voor het urencriterium, als het ongebruikelijk is voor niet-verbonden personen om een dergelijk samenwerkingsverband aan te gaan.

Een echtpaar dreef in de vorm van een vennootschap onder firma een garagebedrijf. Aanvankelijk was het garagebedrijf een eenmanszaak van de man. De winstverdeling was 40% voor de vrouw en 60% voor de man. De Belastingdienst was van mening dat de vrouw vrijwel uitsluitend werk van ondersteunende aard verrichtte en dat het samenwerkingsverband ongebruikelijk was. De vrouw zou geen recht hebben op de zelfstandigenaftrek, omdat zij niet voldeed aan het urencriterium.

De rechtbank accepteerde de verklaring van de vrouw, dat zij vrijwel alle voorkomende werkzaamheden in de onderneming verrichtte. Haar man was na een burn out niet op zijn oude werkniveau teruggekeerd. De vrouw verrichtte daardoor de volgende werkzaamheden:

  • het managen van de gehele onderneming;
  • het plannen en het organiseren van de werkplaats;
  • het beslissen over het personeelsbeleid;
  • het beslissen over de investeringen;
  • het onderhouden van contacten met leveranciers;
  • het aansturen van de monteurs;
  • het opstellen van offertes en het overleggen met klanten over meerwerk bij onderhoud en reparatie;
  • het verkopen en inruilen van auto’s.

De rechtbank vond mede van belang dat de vrouw tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid van haar echtgenoot de onderneming ruim een half jaar alleen en zelfstandig heeft gedreven. Er was geen sprake van het hoofdzakelijk verrichten van ondersteunende werkzaamheden. De vrouw voldeed aan het urencriterium en had recht op zelfstandigenaftrek.

Onderneming naast dienstbetrekking

Onderneming naast dienstbetrekking

Een ondernemer die in een jaar ten minste 1.225 uur besteedt aan zijn onderneming voldoet aan het urencriterium. Daarmee heeft hij recht op de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.

Een werknemer met een fulltime dienstverband kreeg in de jaren 2010 en 2011 van zijn werkgever de gelegenheid om 25% van zijn arbeidstijd te besteden aan zijn nevenactiviteiten. In 2012 werkte hij weer fulltime bij zijn werkgever. Met de nevenactiviteiten behaalde de werknemer jaarlijks een positief resultaat van enkele duizenden euro’s. De nevenactiviteiten kwalificeerden voor het ondernemerschap. De vraag was of de ondernemer in 2011 aan het urencriterium voldeed. Het opgestelde urenoverzicht kwam uit op een totaal van 1.312 uur. Van dat totaal had ongeveer 200 uur betrekking op directe uren.

Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden moest de ondernemer met een goede onderbouwing van zijn urenoverzicht komen, gezien het feit dat hij in 2011 zes uur per dag werkte en twee uur per dag was vrijgesteld van zijn werk in dienstbetrekking. In dat licht bezien vond het hof het urenoverzicht niet overtuigend. Alle werkzaamheden waren in hele uren vermeld. Stukken, waaruit de omvang van de werkzaamheden kon blijken, ontbraken. De behaalde omzet was laag in verhouding tot het gestelde aantal bestede uren. Het hof nam aan dat de ondernemer in 2011 veel tijd heeft gestoken in zijn activiteiten, maar accepteerde het urenoverzicht niet.

Omvang privégebruik auto

Omvang privégebruik auto

De bijtelling bij het inkomen voor het privégebruik van een auto van de zaak bedraagt in beginsel 25% van de cataloguswaarde van de auto. De bijtelling wordt verminderd met de vergoeding die de werknemer voor het privégebruik betaalt. Er hoeft geen bijtelling voor privégebruik te worden gedaan als de werknemer kan aantonen dat het privégebruik niet meer dan 500 kilometer op jaarbasis bedraagt.

Een werknemer probeerde zijn vakantiekilometers buiten het privégebruik te houden. Dat deed hij door met zijn werkgever een huurovereenkomst te sluiten voor de auto van de zaak voor de vakantieperiode. Op die manier zou de auto tijdens de vakantie niet door de werkgever ter beschikking zijn gesteld, en zou er dus geen bijtelling kunnen plaatsvinden. Buiten de vakantieperiode om bleven de in een jaar gereden privékilometers ruim onder de grens van 500 kilometer. De rechter ging niet mee in deze gedachte. Hij merkte ook de vakantiekilometers als privékilometers aan. Dat betekende dat er een bijtelling voor privégebruik bij het inkomen moest plaatsvinden. De rechter negeerde de met de werkgever gesloten huurovereenkomst. Wel mochten de door de werknemer als huur aan de werkgever betaalde bedragen als vergoeding voor privégebruik in mindering gebracht worden op de bijtelling. De inspecteur had bij het aanbrengen van de correctie daar al rekening mee gehouden.