Archief van oktober 2016

Experiment met vervroegde inzet no-riskpolis

Experiment met vervroegde inzet no-riskpolis

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een ontwerpbesluit voor de vervroegde inzet van een no-riskpolis naar de Eerste en de Tweede Kamer gestuurd. In de begeleidende brief legt de minister uit dat het gaat om een experiment om mensen met een ziektewetuitkering al na de eerstejaars ziektewetbeoordeling in aanmerking te laten komen voor een no-riskpolis. De minister wil onderzoeken of dit de arbeidsparticipatie bevordert van de doelgroep. Het experiment moet in het eerste kwartaal van 2017 starten. De no-riskpolis is geregeld in de Ziektewet. Een no-riskpolis wordt nu afgegeven voor werknemers met een verondersteld hoog verzuimrisico door ziekte, zoals werknemers die voorafgaand aan een dienstbetrekking recht hadden op een WIA-uitkering en werknemers die na afloop van de wachttijd voor de Wet WIA minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn.

De doelgroep van het experiment bestaat uit personen zonder werkgever met een ziektewetuitkering, de zogenaamde vangnetters. In plaats van na twee jaar ziekte, komen zij in het experiment al na het eerste ziektejaar in aanmerking voor een no-riskpolis. Als zij in dienst treden bij een werkgever en binnen vijf jaar uitvallen wegens ziekte, komen zij in aanmerking voor ziekengeld op basis van de no-riskpolis. De werkgever is wel verantwoordelijk voor de re-integratie van de werknemer en moet aan de wettelijke verplichtingen, zoals het opstellen van een plan van aanpak, voldoen.

Afkoop lijfrente en revisierente

Afkoop lijfrente en revisierente

De premies voor een lijfrenteverzekering zijn onder voorwaarden aftrekbaar in de inkomstenbelasting. Daar staat tegenover dat de uitkeringen uit de lijfrente te zijner tijd belast zijn. Bij de afkoop van een lijfrenteverzekering wordt de ontvangen afkoopsom belast. Het gaat dus niet alleen om een correctie van de eerder in aftrek gebrachte premies, maar ook om het op de inleg behaalde rendement. Daarnaast wordt bij afkoop revisierente in rekening gebracht. Het berekenen van revisierente is een vorm van boete op afkoop. De revisierente bedraagt 20% van de waarde in het economisch verkeer van de lijfrenteverzekering. Doorgaans is deze waarde gelijk aan de ontvangen afkoopsom. Onder omstandigheden moet ook nog belastingrente worden betaald, zelfs over de revisierente. Dat laatste is volgens een uitspraak van de rechtbank toegestaan. De berekening van revisierente en belastingrente kan tot gevolg hebben dat meer dan het behaalde rendement op de inleg moet worden betaald, zelfs zonder rekening te houden met de over het rendement verschuldigde inkomstenbelasting.

Een voorbeeld uit de praktijk maakt dat duidelijk. De afkoopsom van een lijfrenteverzekering bedroeg € 11.525. Aan premies was betaald een totaal van € 9.041. Het rendement op de inleg was € 2.484. De revisierente bedroeg 20% van € 11.525, dus € 2.305. Omdat de aanslag inkomstenbelasting en de beschikking revisierente pas enkele jaren later werden vastgesteld, werd daarbij belastingrente berekend. Over de revisierente bracht de inspecteur € 199 belastingrente in rekening. Het totaal van revisie- en belastingrente kwam daarmee uit op € 2.504. Dat was al € 20 meer dan het behaalde rendement op de inleg. Over het rendement moest ook nog inkomstenbelasting worden betaald.

De rechtbank wees in dit geval het beroep van de belanghebbende af. De belanghebbende vond het in rekening brengen van revisierente van 20% onbillijk en onrechtvaardig. De rechtbank wees dat af omdat de rechter de innerlijke waarde of billijkheid van de wet niet mag beoordelen. Ook mag de rechtbank niet uit coulance afwijken van de juiste wetstoepassing. Alleen de staatssecretaris van Financiën is op grond van de zogenaamde hardheidsclausule daartoe bevoegd. Ten aanzien van de berekening van belastingrente over de revisierente leidt de rechtbank uit de wetsgeschiedenis af dat dit volgens de bedoeling van de wetgever is. Door het van overeenkomstige toepassing verklaren van de bepalingen uit de belastingwet die gelden voor de belastingaanslag op de beschikking revisierente bevat de wet volgens de rechtbank ook een materiële grondslag voor het berekenen van belastingrente over de revisierente.

Ontbinding arbeidsovereenkomst na twee jaar arbeidsongeschiktheid

Ontbinding arbeidsovereenkomst na twee jaar arbeidsongeschiktheid

De minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid heeft vorig jaar Kamervragen beantwoord over het niet beëindigen van een arbeidsovereenkomst na afloop van de verplichte loondoorbetalingsperiode bij ziekte. Werkgevers kiezen ervoor om de arbeidsovereenkomst niet te beëindigen om de transitievergoeding niet te hoeven betalen. De minister vindt dat niet van fatsoenlijk werkgeverschap getuigen.

Hof Den Haag deelt de opvatting van de minister niet. De werkgever heeft de keuzevrijheid om de kantonrechter te verzoeken om de arbeidsovereenkomst te ontbinden als een werknemer meer dan twee jaar arbeidsongeschikt is. Een wettelijke verplichting daartoe is er niet. Volgens het hof is het toegestaan om een arbeidsovereenkomst slapend te laten voortbestaan om op die manier te ontkomen aan het betalen van een de transitievergoeding. Het hof benadrukt dat de keuze om de arbeidsovereenkomst te laten voorduren niet zonder verplichting voor de werkgever is. Mocht een arbeidsongeschikte werknemer herstellen, dan is de werkgever verplicht om zich in te spannen voor re-integratie van de werknemer in het arbeidsproces.

Van slecht werkgeverschap in de zin van het Burgerlijk Wetboek is geen sprake. Dat betekent naar het oordeel van het hof dat een werkneemster, die na ruim twee jaar arbeidsongeschiktheid verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst, geen recht had op een transitievergoeding.

Verlenging subsidieregelingen voor ondernemers

Verlenging subsidieregelingen voor ondernemers

De minister van Economische Zaken is van plan om een aantal subsidieregelingen voor ondernemers te verlengen. Het gaat om de regeling seed capital technostarters, de borgstellingsregeling mkb-kredieten, de regeling groeifaciliteit en de garantieregeling ondernemingsfinanciering. Deze regelingen hebben momenteel 1 juli 2017 als einddatum.

Seed capital technostarters
Deze regeling biedt participatiefondsen de mogelijkheid om renteloos te lenen van de Nederlandse staat om participaties in technostarters te verkrijgen. Het voornemen is om deze regeling te verlengen tot 1 juli 2019.

Borgstelling mkb-kredieten
Via de borgstellingsregeling mkb-kredieten kan een bank of een andere kredietverstrekker een borgstelling krijgen voor het sluiten van bepaalde kredietovereenkomsten met ondernemers in het mkb. Uit een in 2015 uitgevoerde evaluatie blijkt dat deze regeling doeltreffend is om bedrijven met toekomstperspectief aan een financiering te helpen wanneer zij te weinig zekerheden hebben om voor een regulier krediet in aanmerking te komen. Het voornemen is de regeling voort te zetten tot 1 juli 2022.

Garantie gericht op financiering met risicokapitaal voor ondernemers (groeifaciliteit)
De groeifaciliteit helpt mkb-ondernemingen om risicodragend vermogen aan te trekken. De Nederlandse staat verstrekt een garantstelling voor 50% van de waarde van verstrekte achtergestelde leningen of van het verstrekte aandelenkapitaal. De regeling is gericht op sterk groeiende kleinere bedrijven. Het gebruik van de regeling is sinds 2012 sterk toegenomen. Verwacht wordt dat de vraag verder zal toenemen. Daarom stelt de minister voor om de regeling te verlengen tot 1 juli 2020.

Garantieregeling ondernemingsfinanciering
De garantieregeling ondernemingsfinanciering is bedoeld om de toegang tot bankkrediet voor het bedrijfsleven te verbeteren. Banken kunnen een garantie van de Nederlandse staat krijgen voor kredieten die zij verstrekken aan ondernemers. In 2014 is de regeling geëvalueerd. Hieruit blijkt dat de regeling de doelgroep bereikt en leidt tot meer kredietverlening aan het mkb. Om die reden wil de minister de regeling verlengen tot 1 juli 2020.

Uitstel invoering kentekenplicht landbouwvoertuigen

Uitstel invoering kentekenplicht landbouwvoertuigen

Bij de Tweede Kamer is een wetsvoorstel in behandeling met betrekking tot de invoering van de kentekenplicht voor landbouwtrekkers en andere langzame motorvoertuigen. Aanvankelijk werd uitgegaan van inwerkingtreding van de kentekenplicht per 1 januari 2017. Het lijkt erop dat deze datum niet gehaald gaat worden. Voor voertuigen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van de voorgestelde wetswijziging al in het verkeer zijn, komt een aangepaste procedure voor de kentekenplicht. Via een nota van wijziging wordt het overgangsrecht met betrekking tot de invoering van de kentekenplicht van de Wegenverkeerswet 1994 naar het wetsvoorstel overgeheveld. Omwille van de eenduidigheid wordt ook de overgangsbepaling met betrekking tot de APK-plicht opgenomen in dezelfde bepaling van het wetsvoorstel.

Kosten onderneming niet aftrekbaar als persoonlijke verplichting

Kosten onderneming niet aftrekbaar als persoonlijke verplichting

Uitgaven voor scholing kunnen onder voorwaarden een aftrekpost vormen in de inkomstenbelasting. Het moet gaan om de uitgaven die iemand doet voor het volgen van een opleiding, die is gericht op het verwerven van inkomen in box 1. De opleiding kan gevolgd worden om nieuwe vakkennis of bekwaamheid te verwerven, maar ook om bestaande vakkennis of bekwaamheid in stand te houden.

Een procedure voor de rechter ging over de vraag of iemand de door zijn echtgenote gemaakte opleidingskosten in aftrek kon brengen. Opmerkelijk was dat de echtgenote een zelfstandige ondernemer was en dat de opleiding betrekking had op het op peil houden van de vakkennis van de echtgenote. De opleidingskosten vormden dus kosten van de onderneming en konden in mindering gebracht worden op de winst uit onderneming van de echtgenote. Dat had tot gevolg dat de man deze kosten niet als scholingsuitgaven in aftrek kon brengen. Anders dan de man meende heeft hij hierin niet de vrije keus. Het enkele feit dat de echtgenote na toepassing van de zelfstandigenaftrek een zo lage winst had dat aftrek van de gemaakte kosten fiscaal geen nut had, maakte dat niet anders.

Uitbreiding kraamverlof partner

Uitbreiding kraamverlof partner

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een brief naar de Tweede Kamer gestuurd over de voorgenomen invoering van de uitbreiding van het kraamverlof voor de partner met drie dagen. Het UWV moet deze regeling gaan uitvoeren. Op dit moment ligt een wetsvoorstel voor advies bij de Raad van State. Het UWV heeft 1 januari 2019 genoemd als datum waarop de regeling kan worden uitgevoerd. De verwachting is dat jaarlijks ongeveer 150.000 aanvragen zullen worden gedaan voor een uitkering. Dat vraagt een ingrijpende aanpassing van de automatiseringssystemen. Voor de verwerking van een aanvraag is de geboortedatum van het kind nodig. Dat vereist een koppeling met de basisregistratie personen. Ook zijn gegevens nodig over de relatie tussen de aanvrager en het kind. Het UWV beschikt nu niet over deze gegevens. Ook dat zal moeten worden geregeld. Volgens de minister kan de invoering van de uitbreiding van het kraamverlof niet eerder dan per 1 januari 2019 geregeld worden.

Oud pand was bestemd voor bewoning

Oud pand was bestemd voor bewoning

Bij de verkrijging van onroerende zaken moet overdrachtsbelasting worden betaald. Voor woningen geldt in afwijking van het normale tarief van 6% een lager tarief van 2% van de waarde. Volgens de memorie van toelichting op de wetswijziging waarbij de tariefverlaging is ingevoerd wordt onder woning verstaan een onroerende zaak die op het moment van de juridische overdracht naar zijn aard is bestemd voor bewoning. Een onroerende zaak, die feitelijk wordt bewoond maar naar zijn aard niet bestemd is voor bewoning, geldt niet als woning voor de overdrachtsbelasting. Een onroerende zaak die geen woning is, maar wordt verbouwd tot woning, valt niet onder het lage tarief.

Inzet van een procedure was of een onroerende zaak bij de verkrijging in 2014 naar zijn aard was bestemd voor bewoning. Vaststond dat de onroerende zaak omstreeks 1800 als woning is gebouwd en decennialang als woning is gebruikt. Bij een verbouwing in 1959 is de onroerende zaak verbouwd tot kantoorpand. Daarna is het pand ook nog als winkel gebruikt. De vorige eigenaren hebben na de aankoop in 1998 een verbouwing uit laten voeren waarbij alle elementen van de winkel zijn verwijderd en de keuken en de badkamer zijn hersteld. Voor zover de onroerende zaak eerder was veranderd in een kantoor- of winkelpand is dat volgens Hof Den Haag door de verbouwing in 1998 ongedaan gemaakt. Vanaf dat moment was sprake van een woning. Het pand was naar zijn aard bestemd voor bewoning. Daarmee was het lage tarief van toepassing op de verkrijging in 2014.

Pand ondernemer was keuzevermogen

Pand ondernemer was keuzevermogen

Een ondernemer kan in het algemeen zelf bepalen of hij een vermogensbestanddeel al dan niet tot zijn ondernemingsvermogen rekent. Deze keuzevrijheid van de ondernemer voor de vermogensetikettering wordt beperkt door de redelijkheid. De grenzen van de redelijkheid worden overschreden als een ondernemer een gedeelte van een juridisch niet gesplitst pand tot zijn ondernemingsvermogen rekent terwijl dat gedeelte zelfstandig rendabel is te maken en op geen enkele wijze wordt gebruikt voor de onderneming.

Een procedure betrof de vraag of een ondernemer in het verleden ten onrechte zijn woonhuis als ondernemingsvermogen heeft aangemerkt. Dat had de ondernemer gedaan bij de aanschaf van de woning. Alle baten en lasten van het pand werden sindsdien tot de winst uit onderneming gerekend. Vervolgens stelde de ondernemer zich op het standpunt dat hij de woning ten onrechte tot zijn ondernemingsvermogen heeft gerekend omdat het om verplicht privévermogen zou gaan. Om dat standpunt te onderbouwen moest de ondernemer bewijzen dat de woning niet tot het ondernemingsvermogen mocht worden gerekend. Dat bewijs kwam erop neer dat de ondernemer aannemelijk moest maken dat hij het pand op geen enkele wijze gebruikte voor zijn onderneming.
Naar het oordeel van het gerechtshof slaagde de ondernemer er niet in om dat bewijs te leveren. De administratie van de onderneming werd in de woning gevoerd en de bedrijfsauto werd op het erf geparkeerd. Verder maakte de ondernemer gebruik van een bij de woning behorende schuur voor de opslag van materialen. Dat gebruik volstond voor dienstbaarheid van het pand aan de onderneming. De destijds gemaakte keuze voor ondernemingsvermogen kon daarom niet ongedaan worden gemaakt.

Dienstbetrekking in meerdere landen

Dienstbetrekking in meerdere landen

Op een werknemer, die op het grondgebied van twee of meer lidstaten van de EU zijn werkzaamheden verricht, is de wetgeving van de woonstaat van toepassing wanneer hij een deel van zijn werkzaamheden op het grondgebied van de woonstaat uitoefent. De werkzaamheden moeten wel van voldoende omvang zijn.

Een inwoner van België was in dienstbetrekking werkzaam bij een Belgische werkgever. Voor deze werkgever verrichtte hij werkzaamheden op projectbasis in Nederland. Regelmatig werkte de werknemer vanuit huis. Het Belgische Rijksinstituut voor Sociale verzekeringen der Zelfstandigen stelde zich op het standpunt dat de in België verrichte activiteiten niet leidden tot onderworpenheid aan de Belgische sociale wetgeving. Volgens het Rijksinstituut was van aantoonbare relevante beroepswerkzaamheden in België niet gebleken. De Nederlandse Sociale Verzekeringsbank meende op grond van dit standpunt dat de belanghebbende aan de Nederlandse sociale wetgeving was onderworpen. Volgens Hof Den Bosch was vanwege het verrichten van arbeid in Nederland en in België de wetgeving van België op het gebied van de sociale verzekeringen van toepassing. In Nederland was de belanghebbende geen premies volksverzekeringen verschuldigd.

In cassatie was aan de orde of de Nederlandse rechter de door de Belgische en de Nederlandse uitvoeringsinstelling van sociale zekerheid gedeelde opvatting, dat de werknemer onder de Nederlandse premieheffing viel, moest volgen. Volgens de Hoge Raad is dat niet het geval. De Nederlandse rechter is verplicht om het oordeel van de autoriteiten van een andere lidstaat over de kwalificatie van op het grondgebied van die lidstaat verrichte werkzaamheden over te nemen, inclusief de daaruit eventueel voortvloeiende onderworpenheid aan de wetgeving van die lidstaat. In dit geval ging het niet om de kwalificatie van de werkzaamheden op Belgisch grondgebied, maar om de vraag of zij voldoende omvang hadden voor het verrichten van werkzaamheden in twee lidstaten. Die beoordeling wordt niet beheerst door het nationale recht van het land waar de werkzaamheden worden verricht.