Archief van september 2016

Aanpassingen innovatiebox

Aanpassingen innovatiebox

De innovatiebox verlaagt het effectieve belastingtarief van de vennootschapsbelasting voor winst uit innovatieve activiteiten. De innovatiebox is bedoeld voor ondernemingen die in Nederland reële en innovatieve activiteiten ontplooien. De innovatiebox is niet bedoeld voor in het buitenland ontwikkelde immateriële activa die met activiteiten van beperkte omvang hierheen worden verplaatst omdat hier voor de winst die wordt behaald met dat activum een laag tarief geldt. In aanvulling op de bestaande criteria voor toegang tot de innovatiebox wordt de zogenaamde nexusbenadering toegevoegd. In deze benadering vormen de uitgaven voor de ontwikkeling van immateriële activa een indicatie voor de aanwezigheid van substantiële activiteiten van de ondernemer.

Wanneer een gedeelte van de uitgaven verband houdt met het uitbesteden van speur- en ontwikkelingswerk (S&O) aan verbonden vennootschappen komt een daarmee corresponderend deel van de voordelen niet in aanmerking voor de innovatiebox. Het voor de innovatiebox kwalificerende voordeel wordt bepaald door de uitgaven voor een immaterieel activum verminderd met de uitgaven voor uitbesteed ontwikkelingswerk te vermenigvuldigen met 1,3 en te delen door de totale uitgaven voor het immateriële activum. De uitkomst van deze berekening wordt gebruikt als vermenigvuldigingsfactor voor de voordelen die worden behaald met het voor toepassing van de innovatiebox kwalificerende immateriële activum. De vermenigvuldiging met de factor 1,3 kan niet tot gevolg hebben dat de kwalificerende voordelen groter zijn dan de werkelijk behaalde voordelen.

Voorbeeld
De totale uitgaven voor een kwalificerend immaterieel activum bedragen 1.560. Daarvan heeft 800 betrekking op eigen S&O, 200 op aan derden uitbesteed S&O en 560 op uitbesteding van S&O aan verbonden vennootschappen. Met het activum wordt een bedrag van 1.200 aan netto voordelen behaald. De kwalificerende uitgaven zijn 1,3 maal 800 plus 200, is 1.300. De totale uitgaven zijn 1.560. De kwalificerende voordelen bedragen dan: 1.300/1.560×1.200=1.000. Dit bedrag komt in aanmerking voor de innovatiebox.

Instroom innovatiebox
Grotere belastingplichtigen moeten straks niet alleen over een S&O-verklaring beschikken. Zij moeten voor het activum of voor daarmee samenhangende activa over een octrooi, een exclusieve licentie of een kwekersrecht beschikken of moeten deze hebben aangevraagd, tenzij het activum bestaat uit programmatuur. Grotere belastingplichtigen hebben gemiddeld over een periode van vijf jaar een netto groepsomzet behaald van meer dan € 50 miljoen per jaar (€ 250 miljoen over 5 jaar) of hebben meer dan € 7,5 miljoen per jaar (€ 37,5 miljoen over 5 jaar) aan bruto voordelen behaald uit innovatieve activa.

Berekeningsmethodiek
De manieren, waarop de voordelen die worden behaald met een immaterieel activum, worden berekend, worden in de wet vastgelegd. Het gaat om economische benaderingen als de afpelmethode en de kostengerelateerde methode.

Administratie
De administratieverplichtingen bij toepassing van de innovatiebox worden uitgebreid. Uit de administratie moeten blijken:

  • het bezit van een of meer kwalificerende immateriële activa,
  • wat de omvang is van de voordelen uit deze immateriële activa,
  • de meest passende methode voor het bepalen van de voordelen uit deze immateriële activa, en
  • de omvang van de uitgaven voor de ontwikkeling van de kwalificerende immateriële activa, uitgesplitst naar uitgaven voor het uitbesteden van S&O binnen de groep en overige uitgaven.

Deze aanvullende verplichting geldt alleen voor boekjaren die op of na 1 januari 2017 aanvangen.

Overgangsrecht
Voor immateriële activa die voor 1 juli 2016 zijn voortgebracht geldt overgangsrecht als in het boekjaar waarin 30 juni 2016 valt is gekozen voor toepassing van de innovatiebox. De oude regeling blijft dan van toepassing tot en met uiterlijk 30 juni 2021.
Ook is er overgangsrecht voor activa die vóór 1 januari 2017 zijn ontwikkeld en waarvoor wel een octrooi of kwekersrecht is verleend, maar geen S&O-verklaring is afgegeven. Deze activa worden aangemerkt als kwalificerende immateriële activa. Het overgangsrecht geldt ook als het octrooi of het kwekersrecht pas na 1 juli 2016 is verleend. Dergelijke activa kwalificeren voor het nieuwe regime als het octrooi of kwekersrecht is verleend.

Gevolgen voor bestaande vaststellingsovereenkomsten
Alle bestaande vaststellingsovereenkomsten voor de toepassing van de innovatiebox kennen de mogelijkheid van ontbinding bij relevante wetswijzigingen. Voor kleinere belastingplichtigen verandert er weinig. Daarom zal onder voorwaarden geen beroep worden gedaan op de ontbindende voorwaarde in de bestaande vaststellingsovereenkomst. Voor grotere belastingplichtigen heeft de aanpassing van de innovatiebox mogelijk meer gevolgen. De Belastingdienst streeft ernaar om waar nodig tijdig een nieuwe overeenkomst te sluiten.

Maatregelen tegen misbruik van box 2

Maatregelen tegen misbruik van box 2

Een van de maatregelen in het Belastingplan tegen constructies om belasting te ontwijken of uit te stellen heeft betrekking op het beleggen in box 2. Bij deze constructie wordt gebruik gemaakt van vrijgestelde beleggingsinstellingen (vbi). Een vbi hoeft geen vennootschapsbelasting te betalen over beleggingsresultaten. Wanneer iemand overtollig vermogen uit zijn bv onderbrengt in een vbi, hoeft hij op dat moment geen inkomstenbelasting te betalen over de meerwaarde van zijn aandelen in de bv.
Een andere constructie is het tijdelijk onderbrengen van box 3-vermogen in een vbi, waarin de vermogende particulier een aanmerkelijk belang heeft. Dat gebeurt aan het einde van jaar 1, waardoor in jaar 2 en 3 belasting in box 3 wordt bespaard. Het vermogen rendeert vrij van vennootschapsbelasting in de vbi. In jaar 3 gaat het vermogen terug naar box 3. De belastingheffing in box 2 is lager dan de bespaarde belasting in box 3.

Om deze constructies te bestrijden wordt het minder aantrekkelijk gemaakt om via box 2 in een vbi te beleggen. Voortaan moet in box 2 belasting betaald worden over de meerwaarde van de aandelen in box 2 als een bv wordt omgezet in een vbi. Deze maatregel gaat in met terugwerkende kracht tot en met Prinsjesdag 2016. Verder wordt box 3-vermogen, dat wordt ondergebracht in een vbi waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft, ook belast in box 3 als het vermogen binnen achttien maanden terugkomt in box 3. Er komt een tegenbewijsregel voor de situatie waarin er een zakelijke reden is om het vermogen terug te halen naar box 3. Tenslotte wordt het percentage van het forfaitaire rendement uit een vbi automatisch gekoppeld aan het voor dat jaar geldende percentage van de hoogste schijf in box 3. Deze maatregelen gaan ook gelden voor vermogen dat in een vergelijkbaar buitenlands beleggingslichaam wordt ondergebracht.

Einde pensioen in eigen beheer

Einde pensioen in eigen beheer

Na uitgebreide discussie met het parlement ligt er nu een wetsvoorstel dat per 1 januari 2017 een einde maakt aan de mogelijkheid voor een dga om in eigen beheer bij de bv een pensioenvoorziening op te bouwen. De dga met een pensioen in eigen beheer heeft drie mogelijkheden:

  1. afkoop;
  2. omzetting in een oudedagsverplichting;
  3. niets doen.

Afkoop
Tegelijk met de afschaffing van de opbouw van pensioen in eigen beheer komt de mogelijkheid om het al opgebouwde pensioen in eigen beheer fiscaal vriendelijk af te kopen. Die mogelijkheid is overigens tijdelijk en geldt gedurende drie jaar. De afkoopmogelijkheid houdt het volgende in:

  • De pensioenaanspraak wordt zonder belastingheffing verlaagd naar de fiscale waarde.
  • In afwijking van de normale regels wordt loonbelasting berekend over de fiscale waarde van de pensioenvoorziening en niet over de hogere waarde in het economisch verkeer. Om afkoop aantrekkelijk te maken wordt voor de heffing van loonbelasting een korting verleend. Let op: de korting neemt ieder jaar af. In 2017 geldt een korting van 34,5%, in 2018 van 25% en in 2019 van 19,5%.
  • Er is geen revisierente verschuldigd.

De korting wordt verleend over geen hoger bedrag dan de fiscale balanswaarde van de pensioenverplichting op 31 december 2015.

Omzetting
Als de dga zijn pensioen niet wil afkopen kan hij, na fiscaal geruisloze verlaging tot de fiscale waarde van de pensioenverplichting, de pensioenaanspraak omzetten in een oudedagsverplichting. Dat kan tot uiterlijk 31 december 2019. De oudedagsverplichting neemt jaarlijks toe met de wettelijk voorgeschreven oprenting. De dga kan de oudedagsverplichting op elk gewenst moment om laten zetten in een lijfrente bij een verzekeraar. Doet de dga dat niet, dan wordt het opgebouwde bedrag vanaf de AOW-leeftijd in 20 jaar uitgekeerd aan de dga. De uitkeringen mogen overigens al vijf jaar voor het bereiken van de AOW-leeftijd ingaan. De periode van 20 jaar wordt dan verlengd met het aantal jaren dat de uitkeringen eerder ingaan. Bij de keuze voor deze oudedagsverplichting heeft de dga tot en met 2019 de mogelijkheid om alsnog over te gaan tot afkoop. De kortingsregeling geldt ook in die situatie.

Niets doen
Doet de dga ook dat niet, dan blijft voor de tot en met 31 december 2016 in eigen beheer opgebouwde aanspraken de huidige regelgeving in de vennootschapsbelasting en loon- en inkomstenbelasting gelden. Verdere opbouw is niet mogelijk. Indexering van de opgebouwde aanspraken is wel mogelijk, uiteraard alleen indien indexering in de pensioenregeling is toegezegd. Van belang is dat verschillen tussen de commerciële en de fiscale waarde van de pensioenvoorziening blijven bestaan, met alle nadelen daarvan zoals het mogelijk niet kunnen uitkeren van dividend.

Instemming partner
De fiscaal geruisloze verlaging van de pensioenaanspraak, gevolgd door afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting, kan van invloed zijn op de rechten van de partner van de dga. Daarom moet de partner uitdrukkelijk instemmen met de beëindiging van het pensioen in eigen beheer.

Informatieverplichting
De afkoop of omzetting van pensioen in eigen beheer moet worden gemeld aan de Belastingdienst. Het is geen verzoek om toepassing van de fiscaal gefaciliteerde beëindiging van pensioen in eigen beheer, maar een voorwaarde waaraan voldaan moet worden.

Ingegaan pensioen
Het gefaciliteerd afkopen van pensioen in eigen beheer is ook mogelijk als het pensioen al is ingegaan. De korting bij afkoop wordt dan berekend over de fiscale waarde op het moment van afstempelen en niet over de hogere fiscale waarde ultimo 2015.

Geen inhaal via lijfrente
Beëindiging van het pensioen in eigen beheer heeft overigens niet tot gevolg dat er extra ruimte ontstaat voor de aftrek van lijfrentepremie.

Schenkingsaspecten
Als een ander dan de pensioengerechtigde aandelen in de bv heeft op het moment van de aanpassing van de pensioenaanspraken en de afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting, wordt deze ander daardoor bevoordeeld. Over dat voordeel moet schenkbelasting betaald worden.

Belastingplan 2017

Belastingplan 2017

Zo kort voor de verkiezingen voor de Tweede Kamer mochten we van het Belastingplan 2017 geen schokkende of ingrijpende maatregelen verwachten. Die verwachting is uitgekomen. Toch is het een omvangrijk pakket geworden van maar liefst zes wetsvoorstellen. Veel zaken waren al bekend of eerder aangekondigd. Zoals te doen gebruikelijk omvat het eigenlijke Belastingplan de maatregelen met gevolgen voor de koopkracht en voor het budget van de overheid. Het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen bevat voorstellen die geen of weinig budgettaire gevolgen hebben. Wel vindt het kabinet het wenselijk dat deze maatregelen per 1 januari 2017 in werking treden. Dit wetsvoorstel bevat ondermeer een reparatie van de bedrijfsopvolgingsregeling.

De al uitvoerig met de Eerste en Tweede Kamer besproken afschaffing van het pensioen in eigen beheer is uitgewerkt in een apart wetsvoorstel. Het Belastingplan 2017 bevat verder een vereenvoudigingswetsvoorstel. Dit wetsvoorstel bevat overigens niet alle in het Belastingplan 2017 opgenomen vereenvoudigingen.

Tenslotte is er een apart wetsvoorstel voor de afschaffing van twee aftrekposten in de inkomstenbelasting, namelijk de aftrek van kosten van onderhoud van monumentenpanden en de aftrek van scholingskosten, en een wetsvoorstel met een regeling in de energiebelasting voor laadpalen voor elektrische auto’s.

Stukken Prinsjesdag worden niet eerder gepubliceerd

Stukken Prinsjesdag worden niet eerder gepubliceerd

Alle stukken voor Prinsjesdag worden op vrijdag voor Prinsjesdag onder embargo aan de leden van de Eerste en Tweede Kamer verstrekt. De openbaarmaking van de stukken vindt plaats in de namiddag van Prinsjesdag zelf. Ieder jaar zijn, ondanks het embargo, grote delen al bekend voor de openbaarmaking. Toch is de minister-president niet van plan om de Prinsjesdagstukken al eerder openbaar te maken. Dat blijkt uit zijn reactie op een vraag die in de Tweede Kamer is gesteld. Volgens de premier is het niet zo dat de stukken al geruime tijd klaarliggen. Het eerder dan op Prinsjesdag openbaar maken van begrotingswetten is niet in overeenstemming met de Grondwet, aldus de premier.

Kamervragen kosten omzetting hypotheek

Kamervragen kosten omzetting hypotheek

De minister voor Wonen en Rijksdienst heeft Kamervragen beantwoord over de omzetting van een hypotheek met hoge rente in een hypotheek met een lager rentepercentage. De vragen zijn mede namens de minister en de staatssecretaris van Financiën beantwoord.

Omzetting betekent vervanging van een bestaande lening door een nieuwe en komt dus neer op tussentijdse aflossing. Dat is vaak tot een zeker deel (10 tot 20%) van de hoofdsom mogelijk zonder kosten. Voor het resterende deel zal de geldverstrekker een vergoeding vragen, de zogenaamde boeterente. De vragenstellers willen weten of er maatregelen komen om een dergelijke omzetting kosteloos mogelijk te maken. Wanneer geldverstrekkers geen vergoeding mogen vragen van de consument bij het openbreken van de overeenkomst, zullen zij geen rentevaste periodes meer aanbieden. Omzetting vindt immers alleen plaats als de marktrente daalt, waardoor een rentevastperiode altijd ongunstig is voor de bank. Wanneer banken alleen een variabele hypotheekrente aanbieden kunnen consumenten hun renterisico niet meer afdekken.

Volgens een Europese Richtlijn Hypotheken mogen banken bij nieuwe hypotheken alleen de werkelijke kosten in rekening brengen bij extra aflossing. Deze verplichting geldt bij aflossen, oversluiten en bij rentemiddeling. Mogelijk valt de vergoeding voor vervroegde aflossing hierdoor lager uit. De richtlijn geldt voor leningen die vanaf 14 juli 2016 zijn verstrekt. De minister vindt het wenselijk dat banken niet meer kosten in rekening brengen bij tussentijdse aflossing dan het financiële nadeel dat zij daardoor lijden.

Stapsgewijs van de ene naar de andere geldverstrekker is in de praktijk lastig uitvoerbaar. De woning dient als onderpand voor de aflossing van de lening. De nieuwe geldverstrekker heeft minder zekerheid dan de oorspronkelijke geldverstrekker. De oorspronkelijke geldverstrekker heeft het recht van eerste hypotheek. Bij financiële problemen van de consument heeft de eerste geldverstrekker voorrang op andere schuldeisers, onder wie de nieuwe geldverstrekker. De eerste geldverstrekker zal toestemming moeten geven voor het vestigen van een tweede hypotheek op de woning en kan daar voorwaarden aan verbinden. Het stapsgewijs omzetten van een bestaande lening in een nieuwe lening bij een andere geldverstrekker heeft geen gevolgen voor het recht op hypotheekrenteaftrek, zolang aan de voorwaarden wordt voldaan.

Overgangsregeling transitievergoeding kleinere werkgevers

Overgangsregeling transitievergoeding kleinere werkgevers

Vóór de inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid (WWZ) kon een werkgever met toestemming van het UWV een werknemer ontslaan zonder dat hij de werknemer een vergoeding hoefde te betalen. Dat is met de invoering van de WWZ veranderd. Ongeacht de ontslagroute moet de werkgever bij ontslag op zijn initiatief een transitievergoeding betalen als de dienstbetrekking langer dan twee jaar heeft geduurd. Voor kleine werkgevers met financiële problemen is een overgangsregeling getroffen. Deze regeling houdt in dat onder bij de berekening van de transitievergoeding geen rekening wordt gehouden met de duur van de arbeidsovereenkomst vóór 1 mei 2013. De overgangsregeling loopt tot 1 januari 2020. Om deze regeling te mogen toepassen moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

  1. het netto resultaat van de onderneming van de werkgever over de drie boekjaren voor het jaar, waarin de arbeidsovereenkomst eindigt, is negatief;
  2. het eigen vermogen van de onderneming is negatief aan het einde van het boekjaar voorafgaand aan het boekjaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt; en
  3. aan het einde van het boekjaar voorafgaand aan het boekjaar, waarin de arbeidsovereenkomst eindigt, is de waarde van de vlottende activa kleiner dan de kortlopende schulden.

Volgens de kantonrechter in Eindhoven volstaat het als het gemiddelde resultaat over de drie boekjaren negatief is om te bepalen of de werkgever voldoet aan de gestelde voorwaarden. De kantonrechter kwam tot dat oordeel in een procedure waarin het resultaat over 2013 positief was en over de jaren 2014 en 2015 negatief. Gemiddeld was het resultaat negatief. Bijkomend aspect was dat het resultaat over 2013 positief was door een verzekeringsuitkering die betrekking had op een schade die in 2012 was ontstaan. Tegenover die schade-uitkering stond een herbouwplicht. De werkgever had aan de ontslagen werknemer een transitievergoeding volgens de overbruggingsregeling betaald. De kantonrechter wees de vordering van de werknemer tot toekenning van de resterende wettelijke transitievergoeding af.

Transitievergoeding bij ontbinding na twee jaar arbeidsongeschiktheid

Transitievergoeding bij ontbinding na twee jaar arbeidsongeschiktheid

Sinds 1 juli 2015 moet een werkgever aan een werknemer een transitievergoeding betalen wanneer de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever wordt beëindigd. De arbeidsovereenkomst moet dan wel ten minste 24 maanden hebben geduurd. Deze verplichting heeft directe werking. Dat wil zeggen dat de transitievergoeding altijd moet worden betaald bij het einde van een arbeidsovereenkomst op of na 1 juli 2015, ook als de procedure om de arbeidsovereenkomst te beëindigen voor 1 juli is ingediend. Ook als een arbeidsovereenkomst wordt opgezegd na twee jaar durende arbeidsongeschiktheid moet de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding betalen. Om dat te vermijden laten werkgevers de arbeidsovereenkomst met een arbeidsongeschikte werknemer vaak doorlopen, ook al heeft deze eigenlijk geen bestaansrecht of inhoud meer.

Nadat een werkneemster twee jaar arbeidsongeschikt was vroeg de werkgever aan het UWV om toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Dat verzoek werd voor 1 juli 2015 gedaan. Het duurde echter tot december 2015 voordat de toestemming werd verleend. Na opzegging door de werkgever eindigde de arbeidsovereenkomst op 1 maart 2016. Eveneens staat vast dat de arbeidsrelatie tussen partijen langer dan twee jaar heeft geduurd. De werkgever meende dat hij geen transitievergoeding hoefde betalen. Die opvatting is echter niet juist, zo blijkt uit de uitspraak van de kantonrechter.

De werkgever deed een beroep op de overbruggingsregeling transitievergoeding in de hoop op een lagere transitievergoeding. De overbruggingsregeling is alleen bedoeld voor opzegging wegens bedrijfseconomische omstandigheden. Een slechte financiële situatie van de werkgever is geen reden om geen transitievergoeding te hoeven betalen. De enige vorm van verlichting die de wet biedt is betaling in termijnen.

Navordering door fout in aangifte

Navordering door fout in aangifte

Navordering van inkomstenbelasting is mogelijk wanneer door een fout geen aanslag of een te lage aanslag is opgelegd. Het moet de belastingplichtige wel duidelijk zijn of kunnen zijn dat er een fout gemaakt is. Volgens de wet is dat het geval als het verschil tussen de geheven belasting en de verschuldigde belasting ten minste 30% bedraagt. Is een aanslag te laag vastgesteld door een onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten of in het recht, dan is navordering niet toegestaan.

Door een vergissing van de adviseur diende iemand verkeerde aangiften inkomstenbelasting in. De vergissing hield in dat in plaats van de fiscale balans de commerciële balans was gebruikt. De in de commerciële balans opgenomen goodwill was fiscaal ten onrechte afgeschreven. De aangegeven winst was daardoor te laag. De aanslagen werden geautomatiseerd vastgesteld conform de ingediende aangiften. Een inhoudelijke beoordeling van de aangiften door de inspecteur heeft niet plaatsgevonden. Dat betekent dat de aanslag niet te laag is vastgesteld als gevolg van een onjuist inzicht in de feiten of in het recht bij de inspecteur. Navordering was daarom toegestaan.

Bezwaar tegen boete niet altijd ontvankelijk

Bezwaar tegen boete niet altijd ontvankelijk

De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag is zes weken. Wordt een bezwaarschrift te laat ingediend, dan is het niet-ontvankelijk, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het te laat indienen van een bezwaarschrift door een ingeschakelde adviseur heeft niet tot gevolg dat de termijnoverschrijding de belastingplichtige niet is aan te rekenen.

Een bezwaar tegen een vergrijpboete is niet altijd ontvankelijk. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden is in ieder geval niet uit een arrest van de Hoge Raad uit 2008 af te leiden dat dit wel het geval zou zijn. In het betreffende arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, voor zover een bezwaar is gericht tegen de boete, de bewijslast dat de belanghebbende bij het indienen van het bezwaarschrift niet in verzuim is geweest, niet op de belanghebbende rust.
In de procedure voor Hof Arnhem-Leeuwarden was duidelijk dat de bezwaarschriften te laat waren ingediend door laksheid van de toenmalige adviseur. De inspecteur betwistte deze reden niet. In een dergelijk geval is het aan de rechter om te beoordelen of de opgegeven reden leidt tot een verschoonbare termijnoverschrijding. Het handelen van een door een belanghebbende ingeschakelde derde is aan de belanghebbende toe te rekenen. Het is dan aan de belanghebbende om aan de hand van bijzondere feiten of omstandigheden duidelijk te maken waarom dat in dit geval anders moet zijn. In dit geval was het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.