Archief van september 2016

Winstcorrectie mag naar herinvesteringsreserve

Winstcorrectie mag naar herinvesteringsreserve

Ondernemers kunnen de belastingheffing over de boekwinst bij verkoop van een bedrijfsmiddel uitstellen door de vorming van een herinvesteringsreserve. Voorwaarde is dat de ondernemer het voornemen moet hebben om tot herinvestering van de opbrengst over te gaan. Transacties tussen een BV en haar aandeelhouders moeten op zakelijke voorwaarden plaatsvinden. Wanneer dat niet het geval is kan de Belastingdienst de winst van de BV corrigeren en het voordeel dat de aandeelhouders met de transactie hebben verkregen als een uitdeling van winst belasten.

Een BV verkocht in 2005 een aantal panden aan haar dga en aan zijn kinderen voor bedragen die lager waren dan de WOZ-waarden. Nadat de inspecteur bij een boekenonderzoek van deze feiten op de hoogte was gekomen legde hij een navorderingsaanslag op aan de BV. Volgens de rechtbank mocht de inspecteur belasting navorderen, omdat hij de beschikking had over het daarvoor vereiste nieuwe feit. Er had voor het opleggen van de definitieve aanslag Vpb 2005 overleg met de BV plaatsgehad maar daarbij was niet aan de orde gekomen dat de verkoop van de panden een transactie tussen gelieerde partijen betrof. De vraag in de aangifte Vpb 2005 naar transacties met gelieerde partijen was met "nee" beantwoord. De rechtbank vond de door de inspecteur aangebrachte winstcorrectie niet te hoog, gelet op de overgelegde taxatierapporten.

De BV wilde de hoger vastgestelde boekwinst op de panden toevoegen aan de herinvesteringsreserve die zij na de verkoop van de panden had gevormd. Dat stonden de rechtbank en, in hoger beroep, het gerechtshof niet toe. De BV heeft genoegen genomen met een te lage prijs. Voor het bedrag van de winstcorrectie kan zij geen herinvesteringsvoornemen hebben gehad aan het einde van het boekjaar 2005. Het bestaan van een herinvesteringsvoornemen is een voorwaarde om een herinvesteringsreserve te kunnen vormen.

De Hoge Raad verwijst naar de conclusie van de Advocaat-generaal. Daaruit blijkt dat de aanwending van de verkoopopbrengst van een bedrijfsmiddel een aanwijzing kan vormen voor het bestaan van een voornemen tot herinvestering. Ook wanneer de opbrengst niet voor herinvestering beschikbaar is, kan er een voornemen tot herinvestering bestaan, zij het met andere middelen. De enkele constatering dat de BV de bedoeling had om de dga en zijn kinderen te bevoordelen leidt er niet toe dat de BV geen voornemen tot herinvestering had. Het hof had zijn oordeel op dat punt nader moeten motiveren.

De Hoge Raad merkt op dat, wanneer bij de vervreemding van een bedrijfsmiddel een uitdeling van winst wordt geconstateerd, de overdrachtsprijs wordt gesteld op de waarde in het economisch verkeer. Dan ligt het voor de hand om ook voor het begrip opbrengst voor de toepassing van de herinvesteringsreserve uit te gaan van die hogere waarde. Met dit oordeel komt de Hoge Raad terug op zijn tot nu bestaande opvatting.

Vordering ouders op zoon onzakelijk

Vordering ouders op zoon onzakelijk

Niet alleen in aandeelhoudersrelaties kan zich het fenomeen van de onzakelijke lening voordoen. Ook wanneer op grond van de persoonlijke betrekkingen tussen natuurlijke personen een debiteurenrisico wordt geaccepteerd dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen, is sprake van een onzakelijke lening. Een voorbeeld daarvan deed zich voor bij een maatschap die bestond uit een echtpaar en hun zoon.

Volgens de maatschapsovereenkomst konden de maten maandelijks voorschotten op hun winstaandeel opnemen. Wanneer een maat in een jaar meer had opgenomen dan zijn winstaandeel, moest hij op verzoek van de andere maten het verschil terugbetalen. Door de bescheiden resultaten van de maatschap liep de kapitaalrekening van de zoon op tot € 334.152. De verhaalsmogelijkheden bij de zoon bedroegen niet meer dan € 100.000. De ouders scholden een bedrag van € 134.152 kwijt. De ouders brachten ieder de helft van het bedrag aan kwijtschelding ten laste van hun winst. De resterende vordering van € 200.000 waardeerden zij ieder met een bedrag van € 50.000 af wegens oninbaarheid.

Het hof vond dat de ouders bij het laten oplopen van de vordering op de zoon tot boven € 100.000 onzakelijk hebben gehandeld. Het risico van oninbaarheid hebben de ouders aanvaard vanwege de persoonlijke verhouding met hun zoon. De rol van de zoon binnen de onderneming was niet zo belangrijk dat een zakelijk handelende derde een dergelijk risico wel zou hebben aanvaard. De kwijtschelding en de afwaardering van de vordering op de zoon tot op € 100.000 konden niet ten laste van de fiscale winst worden gebracht. De Hoge Raad heeft in cassatie geoordeeld dat de vordering van de ouders op de zoon terecht is aangemerkt als een onzakelijke lening.

Valutaverlies door omzetting geen deel eigenwoningschuld

Valutaverlies door omzetting geen deel eigenwoningschuld

De eigenwoningschuld omvat de schulden die zijn aangegaan voor het verwerven, verbeteren of onderhouden van de eigen woning. De rente en kosten van de eigenwoningschuld zijn aftrekbaar. De aftrek is beperkt tot de kosten die rechtstreeks voortvloeien uit het opnemen, verlengen of aflossen van geldleningen die zijn aangegaan voor de eerder genoemde doelen. Koersverlies dat wordt geleden bij de omzetting van een eigenwoningschuld in een andere valuta hoort daar niet bij.

De eigenaar van een woning zette in 2007 zijn eigenwoningschuld van een lening in euro’s om naar een lening in Zwitserse francs. De reden daarvoor was de lagere rente die gold voor een lening in francs. In 2010 werd de lening weer omgezet naar euro’s. Door de koersstijging van de franc ten opzichte van de euro leed de woningeigenaar een verlies van ruim € 127.000 door de omzetting. Dat bedrag wilde hij ten laste van zijn inkomen brengen als kosten van de geldlening. De Hoge Raad staat dat niet toe.

Tariefschijf vennootschapsbelasting

De vennootschapsbelasting kent twee tarieven. Over de eerste tariefschijf van de winst wordt 20% belasting betaald, over het meerdere 25%. De eerste tariefschijf bedraagt € 200.000. In 2018 gaat deze schijf naar € 250.000, in 2020 naar € 300.000 en in 2021 naar € 350.000. De tarieven zelf veranderen niet.

Bouwterrein en btw

Bouwterrein en btw

Bij de levering van een bouwterrein is btw verschuldigd en geldt een vrijstelling van overdrachtsbelasting. Wanneer onbebouwde grond bij de levering niet kwalificeert als bouwterrein geldt een vrijstelling voor de btw en is overdrachtsbelasting verschuldigd.
Volgens een arrest van het Hof van Justitie EU is de Nederlandse uitleg van het begrip bouwterrein te beperkt. Volgens het arrest kan een terrein als bouwterrein worden aangemerkt wanneer blijkt dat het terrein op de datum van levering bestemd was om te worden bebouwd. Deze ruimere uitleg wordt nu in de wet opgenomen. Deze uitleg gaat ook gelden voor de samenloop met de overdrachtsbelasting. Aan de eis dat een bouwterrein onbebouwde grond moet zijn is ook voldaan als de leverancier zich heeft verplicht om een bestaand gebouw in het kader van de levering volledig te slopen.

Einde aftrek onderhoudskosten monumenten

Einde aftrek onderhoudskosten monumenten

Al op Prinsjesdag 2015 heeft het kabinet aangekondigd maatregelen te willen treffen om de uitvoering van het belastingstelsel te vereenvoudigen. In dat kader vervalt de aftrek van uitgaven voor monumentenpanden in de inkomstenbelasting. In plaats daarvan komt er een niet-fiscale regeling met een beperkter budget.

De huidige regeling voor monumentenpanden stelt de particuliere eigenaar van een rijksmonument in staat om de kosten van onderhoud daarvan in aftrek te brengen als persoonsgebonden aftrekpost. Dat kost per jaar ongeveer € 57 miljoen. Het voorstel is om deze regeling per 1 januari 2017 te beëindigen. De reden hiervoor is dat het lastig is om de besteding van de met de regeling gemoeide middelen te beïnvloeden. Daar komt bij dat de hoogte van het fiscale voordeel van de aftrek afhankelijk is van het inkomen van de eigenaar van het monument: hoe hoger het inkomen, des te groter het fiscale voordeel. Uit gegevens van de Belastingdienst blijkt dat 20% van de aanvragers 80% van de aftrek geniet. Omdat de beëindiging van de fiscale aftrek per 2017 kan leiden tot financieringsproblemen voor eigenaren die langlopende financiële verplichtingen zijn aangegaan komt er een overgangsregeling voor de jaren 2017 en 2018. Deze overgangsregeling wordt onderdeel van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS. Met ingang van 2019 zal het budget dat voor de overgangsregeling beschikbaar is worden gebruikt voor een nieuw financieringsstelsel voor monumentenzorg.

Einde aftrek scholingskosten

Einde aftrek scholingskosten

Al op Prinsjesdag 2015 heeft het kabinet aangekondigd maatregelen te willen treffen om de uitvoering van het belastingstelsel te vereenvoudigen. In dat kader vervalt de aftrek van uitgaven voor scholing in de inkomstenbelasting. In plaats daarvan komt er een niet-fiscale regeling met een beperkter budget.

In de huidige regeling kan een belastingplichtige de kosten voor een opleiding of een studie in aftrek brengen op zijn inkomen. De studie moet gericht zijn op een beroep. De belastingplichtige mag geen recht hebben op studiefinanciering. Deze regeling kost jaarlijks ongeveer € 212 miljoen. Van deze regeling wordt maar beperkt gebruik gemaakt. De personen die er gebruik van maken zijn relatief hoog opgeleid. Een aftrekregeling komt erop neer dat de kosten eerst betaald moeten worden. Dat vormt een drempel voor mensen met een lager inkomen. De huidige regeling is voor de Belastingdienst ook nog eens lastig uitvoerbaar. Om die redenen wordt voorgesteld de regeling af te schaffen, zij het pas per 1 januari 2018. In plaats daarvan komt er een subsidieregeling met een beperkt budget van € 90,8 miljoen per jaar. Die regeling bestaat uit zogenaamde scholingsvouchers voor mensen die uit zichzelf niet snel een opleiding zouden volgen, maar voor wie het volgen van een opleiding wel van groot maatschappelijk belang is.

Tarieven en heffingskortingen

Tarieven en heffingskortingen

De heffingskortingen zijn een geliefd instrument om inkomenspolitiek te bedrijven. Volgend jaar worden ouderen tegemoet gekomen door een verhoging van de ouderenkorting voor lagere inkomens. Werkende mensen profiteren van een vertraagde afbouw van de arbeidskorting en een verhoging van het maximum bedrag.

Algemene heffingskorting
Het maximum van de algemene heffingskorting voor mensen die de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt gaat iets omhoog, namelijk van € 2.242 in 2016 naar € 2.254 in 2017. Voor mensen die ouder zijn dan de AOW-leeftijd bedraagt het maximum in 2016 € 1.145 en in 2017 € 1.151. De inkomensafhankelijke verlaging van de algemene heffingskorting verloopt in 2017 iets langzamer dan in 2016.

Ouderenkorting
De ouderenkorting voor lagere inkomens gaat omhoog van € 1.187 in 2016 naar € 1.292 in 2017. Voor hogere inkomens wijzigt de ouderenkorting vrijwel niet. Dat geldt ook voor de alleenstaande ouderenkorting.

Arbeidskorting
De aanpassingen in de arbeidskorting hebben tot gevolg dat meer mensen per saldo recht hebben op een iets hogere arbeidskorting in 2017. Het maximum van de arbeidskorting wordt verhoogd van € 3.103 in 2016 naar € 3.223 in 2017, het tempo waarmee de arbeidskorting wordt verminderd gaat omlaag en het inkomenstraject waarvoor de arbeidskorting geldt wordt verlengd. De eerdere start van de afbouw van arbeidskorting compenseert dit effect enigszins. In 2017 begint de daling van de arbeidskorting bij een inkomen van € 32.444. In 2016 is dat bij een inkomen van € 34.015.

Schijflengte
De derde schijf van de loon- en inkomstenbelasting loopt in 2016 tot een inkomen van € 66.421. Dat wordt in 2017 een bedrag van € 67.072. De tarieven van de eerste schijven in de loon- en inkomstenbelasting gaan iets omhoog.

Inhoudingsvrijstelling dividendbelasting

Inhoudingsvrijstelling dividendbelasting

Dividendbelasting kan worden verrekend met de verschuldigde vennootschapsbelasting. Pensioenfondsen en andere vrijgestelde lichamen hebben die mogelijkheid niet, omdat zij geen vennootschapsbelasting hoeven te betalen. Voor deze groep bestaat de mogelijkheid van teruggaaf van ingehouden dividendbelasting. Naast deze teruggaafmogelijkheid komt er een inhoudingsvrijstelling voor de dividendbelasting. Deze geldt voor dividenden die worden uitbetaald aan niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen lichamen, inclusief buitenlandse lichamen. De inhoudingsvrijstelling vermindert de administratieve lasten van opbrengstgerechtigden.

Stimulering start-ups

Stimulering start-ups

In afwijking van de gebruikelijkloonregeling mag het loon van de dga van een innovatieve start-up worden vastgesteld op het wettelijk minimumloon. Deze afwijkende regeling geldt met ingang van 2017 voor bedrijven die voor de S&O-afdrachtvermindering als starter worden aangemerkt. De regeling geldt voorlopig tot 1 januari 2022.