Archief van augustus 2016

Protocol Belastingdienst vermiste personen

Protocol Belastingdienst vermiste personen

De Belastingdienst heeft in overleg met Slachtofferhulp Nederland een protocol opgesteld voor het onderhouden van contact met achterblijvers van vermiste personen. Vermiste personen hebben wettelijk de status van levend persoon. Dat betekent allerlei verplichtingen gewoon doorlopen, terwijl achterblijvers in de praktijk deze zaken van de vermiste persoon niet kunnen regelen.

Uitgangspunt voor de Belastingdienst bij dit protocol is, dat zij binnen het kader van wet- en regelgeving blijft. Binnen dat kader kunnen afspraken met achterblijvers worden gemaakt om activiteiten tijdelijk te blokkeren of op te schorten. Deze afspraken kunnen zowel over de aanslagregeling als over controle- of invorderingshandelingen gaan. Het protocol is in de Staatscourant geplaatst en met terugwerkende kracht tot 1 juli 2016 in werking getreden.

Volgens A-G verhindert winstuitdeling herinvesteringsvoornemen niet

Volgens A-G verhindert winstuitdeling herinvesteringsvoornemen niet

Belastingheffing over de boekwinst, die een ondernemer behaalt bij de vervreemding van een bedrijfsmiddel, kan worden uitgesteld. Dat kan door de boekwinst op te nemen in een herinvesteringsreserve. De gereserveerde winst wordt vervolgens afgeboekt als eerste afschrijving op de kostprijs van investeringen in bedrijfsmiddelen die gedaan worden in het jaar van vervreemding of in de drie daarop volgende jaren. Aan de vorming van een herinvesteringsreserve wordt als voorwaarde gesteld dat de ondernemer het voornemen heeft om tot herinvestering over te gaan.

In een procedure bij de Hoge Raad is in geschil welk bedrag aan de herinvesteringsreserve kan worden toegevoegd. De procedure heeft betrekking op de verkoop van onroerende zaken door een BV aan haar dga en zijn kinderen. De BV verkocht in 2005 voor € 450.000 elf verhuurde woningen aan de kinderen van de dga. De BV verkocht voor € 600.000 tien woningen aan de dga. De panden waren voorafgaand aan de verkoop getaxeerd. Bij de taxatie was echter geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat de kopers de woningen na de aankoop een voor een zouden verkopen, een zogenaamd uitpondscenario. De BV nam de behaalde boekwinst op in een herinvesteringsreserve. Binnen vijf jaar na deze transacties werden drie van de panden van de kinderen en één van de panden van de dga doorverkocht. Een boekenonderzoek van de Belastingdienst naar de aanvaardbaarheid van de aangifte Vpb 2005 leidde tot een winstcorrectie van ruim € 1,5 miljoen.

De vraag was of de inspecteur de waarde van de panden terecht heeft gecorrigeerd en of het bedrag van de correctie toegevoegd kon worden aan de herinvesteringsreserve van de BV. Volgens Hof Den Haag kon het bedrag van de correctie niet in de herinvesteringsreserve worden opgenomen, omdat vast stond dat dit bedrag zou worden uitgekeerd aan de aandeelhouders. Daardoor ontbraken in de visie van het hof de voor herinvestering benodigde middelen.

De BV heeft beroep in cassatie ingesteld. De BV is het niet eens met het oordeel van het hof dat de inspecteur de hogere waarde van de verkochte panden aannemelijk heeft gemaakt. Daarnaast voert de BV aan dat de enkele vaststelling van een waarderingsverschil niet inhoudt dat de BV de bedoeling had om de dga te bevoordelen.

De advocaat-generaal bij de Hoge Raad (A-G) is van mening dat het hof zijn oordeel, dat de inspecteur bij de waardering mocht uitgaan van een uitpondscenario, voldoende heeft gemotiveerd. Ten aanzien van het bestaan van een bevoordelingsbedoeling verwijst de A-G naar een arrest van de Hoge Raad uit 1996. Daaruit blijkt dat het oordeel van hof niet berust op een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de A-G is het oordeel van het hof, dat de BV geen herinvesteringsvoornemen kan hebben omdat de winst is of wordt uitgekeerd, niet juist. Niet uit te sluiten is dat de BV van plan was om een volgende aankoop met geleend geld te financieren in plaats van met eigen geld. Daarnaast is het in de opvatting van het hof mogelijk dat materieel gelijke gevallen fiscaal ongelijk worden behandeld. Het bestaan van een herinvesteringsvoornemen moet worden getoetst aan de feitelijke intentie van de ondernemer en hangt niet af van de besteding van de opbrengst van een bedrijfsmiddel. Of de BV daadwerkelijk een voornemen tot herinvestering had, zal volgens de A-G door een ander gerechtshof onderzocht moeten worden.

Wel of geen betalingskenmerk meegeven?

Wel of geen betalingskenmerk meegeven?

De Belastingdienst vraagt bij betaling om de vermelding van een betalingskenmerk. Betalingen met een onjuist kenmerk worden teruggestort. Betaling met een onjuist kenmerk kan leiden tot het opleggen van een naheffingsaanslag wegens te late betaling. Hof Amsterdam heeft in 2008 geoordeeld dat de Belastingdienst, gezien de omvang van het betalingsverkeer en de automatische verwerking daarvan, mag eisen dat een betalingskenmerk wordt vermeld. Naheffing is dan terecht wanneer geen of een onjuist kenmerk wordt vermeld, aldus het hof. De Hoge Raad heeft deze uitspraak vernietigd. Volgens de Hoge Raad is de verschuldigde belasting door overmaking betaald. Voor naheffing bestaat dan geen aanleiding.

De rechtbank Gelderland neemt aan dat dit arrest van de Hoge Raad berust op uitleg van bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek. Daarin is bepaald dat girale betaling plaatsvindt op het moment waarop het geld op de rekening van de schuldeiser wordt bijgeschreven.
Anders dan de Hoge Raad vindt de rechtbank dat de gewoonte en de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat een betaling aan de Belastingdienst moet worden gedaan onder vermelding van het juiste betalingskenmerk. Een betaling zonder het juiste kenmerk wordt direct teruggestort omdat niet traceerbaar is waarop deze betrekking heeft. Volgens de rechtbank heeft een schuldeiser de mogelijkheid om girale betaling uit te sluiten. De schuldeiser kan ook een bepaalde rekening aanwijzen met uitsluiting van andere rekeningen. Dan is het volgens de rechtbank ook mogelijk dat de schuldeiser, in dit geval de Belastingdienst, alleen girale betaling accepteert als het juiste kenmerk is vermeld.

Combikaart parkeren en openbaar vervoer

Combikaart parkeren en openbaar vervoer

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU moet iedere dienst voor de omzetbelasting als een afzonderlijke prestatie worden beschouwd. Die opvatting heeft het Hof van Justitie EU genuanceerd door te bepalen dat een dienst die economisch gezien één dienst is, niet kunstmatig uit elkaar moet worden gehaald. Vanuit het gezichtspunt van de modale consument moet worden beoordeeld of een prestatie van een ondernemer meerdere diensten omvat of uit één enkele dienst bestaat.

De rechtbank Gelderland heeft onlangs geoordeeld dat een combikaart, die het recht geeft om te parkeren en aansluitend tegen een gereduceerd tarief gebruik te maken van het openbaar vervoer, uit twee prestaties bestaat. Het parkeren en het openbaar vervoer zijn niet zo nauw met elkaar verbonden dat er voor de omzetbelasting één niet te splitsen vervoersdienst is. Zou het geheel zijn aan te merken als openbaar vervoer, dan was het lage omzetbelastingtarief van toepassing.

Volgens de rechtbank is het bieden van parkeergelegenheid de hoofddienst. De modale consument komt met de auto naar de stad en koopt een combikaart om een dure parkeerplaats in het centrum te vermijden. De mogelijkheid om vrijwel kosteloos gebruik te maken van het openbaar vervoer maakt het parkeren aantrekkelijker. Parkeren valt onder het normale tarief voor de omzetbelasting. Omdat parkeren de hoofddienst vormt en het openbaar vervoer niet meer is dan een bijkomende dienst, is op de totale vergoeding het normale tarief van toepassing.

Toepassing verschillende btw-tarieven op één dienst?

Toepassing verschillende btw-tarieven op één dienst?

De Hoge Raad heeft een prejudiciële vraag over de toepassing van verschillende omzetbelastingtarieven over één dienst voorgelegd aan het Hof van Justitie EU. De vraag kwam op in de derde procedure in cassatie over de combinatie van museumbezoek en rondleiding door de Amsterdam Arena.

Al in de eerste procedure voor Hof Amsterdam is vastgesteld dat de combinatie van bezoek en rondleiding één dienst is, die niet kan worden gesplitst. Volgens Hof Den Bosch in de derde procedure is het niet mogelijk om de vergoeding te splitsen en het lage tarief toe te passen op het museumbezoek en het hoge tarief op de rondleiding. De rondleiding door het stadion gebeurde onder begeleiding van een gids. Na afloop van de rondleiding kon zonder gids het Ajaxmuseum worden bezocht. Het museum kon niet los van een rondleiding door het stadion worden bezocht. Omdat het museumbezoek ondergeschikt was aan de bezichtiging van het stadion gold het hoge tarief.

Het Hof van Justitie EU heeft in diverse arresten uiteengezet hoe een samenstel van prestaties voor de omzetbelasting moet worden behandeld. Die uitleg komt erop neer dat vanuit de modale consument moet worden beoordeeld of het gaat om meerdere, te onderscheiden, hoofddiensten of om één enkele dienst, die bestaat uit een hoofddienst met bijkomende diensten. Het antwoord op de vraag of sprake is van één prestatie zal in de meeste gevallen afhangen van de feitelijke omstandigheden en de beoordeling daarvan door de rechter.

De Hoge Raad vraagt zich af of de vaststelling dat de rondleiding door het stadion en het bezoek aan het museum moeten worden beschouwd als één dienst betekent dat op die dienst één btw-tarief van toepassing is. Het is aan het Hof van Justitie EU om deze vraag te beantwoorden.

Ingrijpende verbouwing levert nieuw pand op

Ingrijpende verbouwing levert nieuw pand op

Bij de verkrijging van een in Nederland gelegen onroerende zaak wordt overdrachtsbelasting geheven. Er geldt een vrijstelling van overdrachtsbelasting wanneer bij de levering omzetbelasting verschuldigd is. De levering van onroerende zaken is in het algemeen vrijgesteld van omzetbelasting. Uitgezonderd van de vrijstelling van omzetbelasting zijn de levering van een (vrijwel) nieuw gebouw en de levering van een bouwterrein. In die gevallen is dus geen overdrachtsbelasting verschuldigd.

Een bestaand gebouw kan door een grondige verbouwing een nieuw gebouw worden. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden was dat geval bij een winkelpand dat op de voorgevel na volledig werd gesloopt. De dragende constructie en de fundering werden vervangen door een nieuwe constructie en fundering. Daarna werd het pand herbouwd met een andere indeling en een grotere inhoud. Het hof vond niet van belang dat het aanzicht en de functie van het pand niet zijn gewijzigd. Ten tijde van de levering waren de sloopwerkzaamheden voltooid en was met de verbouwing begonnen. Het hof oordeelde dat het een levering van een gebouw of een gedeelte van een gebouw vóór het tijdstip van eerste ingebruikneming betrof. De vrijstelling van overdrachtsbelasting was daarop van toepassing.

Huurrecht als ondernemingsvermogen

Huurrecht als ondernemingsvermogen

Volgens de Hoge Raad kan een huurrecht, dat voor de uitoefening van een onderneming wordt gebruikt, ondernemingsvermogen vormen. Een huurrecht is een vermogensrecht en daarmee een goed in de zin van het Burgerlijk Wetboek en de Wet IB 2001.

Wordt een huurrecht als ondernemingsvermogen aangemerkt, dan komt de huur ten laste van de winst. Gaat het om een huurrecht van een woning die ook privé wordt gebruikt, dan moet een forfaitair bepaald bedrag voor het privégebruik bij de winst worden geteld.

De Hoge Raad kwam tot deze uitspraak in een procedure van een ondernemer die in een huurhuis woont. De ondernemer gebruikt een ruimte in de woning voor zijn onderneming. Omdat de woning geen eigendom is van de ondernemer kan de woning zelf niet als ondernemingsvermogen worden aangemerkt. Het huurrecht van de woning kan wel als ondernemingsvermogen worden aangemerkt, omdat voldaan is aan de eis dat het voor meer dan 10% zakelijk wordt gebruikt. Dat betekent dat de huur volledig ten laste van de winst van de ondernemer kan worden gebracht. Daarna vindt een correctie van de aftrek plaats door een bijtelling voor het privégebruik.

Voor de kosten van een werkkamer in de woning van een ondernemer geldt een aftrekbeperking. Deze aftrekbeperking is echter niet van toepassing als de woning waarvan de kamer deel uitmaakt tot het ondernemingsvermogen behoort. Volgens de Hoge Raad moet een tot het ondernemingsvermogen behorend huurrecht van een woning worden gezien als een tot het ondernemingsvermogen behorende woning. Aan de aftrekbeperking wordt hier dus niet toegekomen. De Hoge Raad gaat ervan uit dat dit wordt gecompenseerd door de forfaitaire bijtelling voor het privégebruik van de woning bij de winst.

Ontbindende voorwaarde in arbeidsovereenkomst

Ontbindende voorwaarde in arbeidsovereenkomst

Een arbeidsovereenkomst kan een ontbindende voorwaarde bevatten. Wanneer de ontbindende voorwaarde is vervuld eindigt in beginsel de arbeidsovereenkomst. Het is echter mogelijk dat de voorwaarde niet past binnen het gesloten stelsel van het ontslagrecht. Van belang bij de beoordeling of een voorwaarde al dan niet binnen het ontslagrecht past is of de werkgever invloed kan uitoefenen op de vervulling van de voorwaarde.

Nadat een werkneemster op 11 april 2016 in dienst was getreden, werd haar op 20 april een arbeidsovereenkomst toegestuurd. Daarin stond dat de werkneemster een verklaring omtrent gedrag moest overhandigen aan de werkgever. Dat moest uiterlijk op de dag voor de aanvang van de arbeidsovereenkomst worden gedaan. Zou de werkneemster deze verklaring niet overhandigen dan zou de arbeidsovereenkomst niet ingaan of direct eindigen. In de begeleidende brief bij de arbeidsovereenkomst stond dat de werkgever zou zorgen voor de aanvraag, waarna de werkneemster deze moest bevestigen. Door allerlei omstandigheden gebeurde dat laatste niet. Op 24 mei deed de werkgever een beroep op de ontbindende voorwaarde, namelijk het ontbreken van de verklaring omtrent gedrag.

De kantonrechter was van oordeel dat de vervulling van de ontbindende voorwaarde onvoldoende objectief bepaalbaar was. Ondanks het ontbreken van de kennelijk vereiste verklaring heeft de arbeidsovereenkomst in de ogen van de werkgever toch zes weken bestaan. De kantonrechter snapte niet waarom de werkgever de werkneemster niet de gelegenheid heeft geboden om binnen zekere termijn alsnog met de gewenste verklaring te komen. Het al dan niet vervuld zijn van de ontbindende voorwaarde hing mede af van het subjectieve oordeel van de werkgever. Daarmee was de ontbindende voorwaarde ongeldig.
Daar kwam bij dat de werkneemster de arbeidsovereenkomst niet had ondertekend. Een contractuele bepaling, die de voor beëindiging van een arbeidsovereenkomst voorgeschreven procedures buiten toepassing laat, moet volgens de kantonrechter uitdrukkelijk schriftelijk zijn overeengekomen.

Kamervragen afschaffing VAR

Kamervragen afschaffing VAR

In antwoord op Kamervragen over de afschaffing van de VAR heeft de staatssecretaris van Financiën nog maar eens aangegeven dat de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA) geen verandering heeft gebracht in de wettelijke kwalificatie van een arbeidsrelatie. De invoering van de Wet DBA is daarom geen reden om geen of minder zzp’ers in te huren.

De staatssecretaris raadt opdrachtgevers en opdrachtnemers het volgende stappenplan aan:

  1. Bedenk of een modelovereenkomst nodig is. In veel gevallen is dat niet het geval omdat de zzp’er overduidelijk ondernemer is.
  2. Als een modelovereenkomst nodig is, zoek dan op de site van de Belastingdienst naar een passende overeenkomst.
  3. Als er toch al gecorrespondeerd wordt over prijs, resultaat en voorwaarden, stuur dan de modelovereenkomst als bijlage mee.
  4. Kom de afspraken uit de modelovereenkomst na.

Gezien de regelmaat waarmee vragen worden gesteld in de Kamer over de Wet DBA gaat de staatssecretaris ervan uit dat er nog veel onduidelijkheid bestaat. Na de zomer zal de staatssecretaris een brief sturen met een overzicht van knelpunten waarmee de Belastingdienst wordt geconfronteerd.

Het Burgerlijk Wetboek kent het rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. In de situatie waarin gedurende drie maanden wekelijks of ten minste twintig uur per maand tegen beloning wordt gewerkt voor een opdrachtgever, wordt de arbeidsverhouding verondersteld een arbeidsovereenkomst te zijn. De Belastingdienst kan zich niet op dit rechtsvermoeden beroepen in het kader van de handhaving van de loonheffingen.